1. Welke normen hebben geen verband met de normaalverdeling?
a. Deviatienormen
b. Rangordenormen
c. Verhoudingsnormen
2. Om als orthopedagoog vast te stellen welke hulp, instructie of pedagogische aanpak
wenselijk is om een problematische situatie in gunstige zin te veranderen wordt
gebruik gemaakt van:
a. Voorkeuren van kind en opvoeder
b. Informatie over relevante condities en interpretaties uit het verklarende
onderzoek
c. Beide antwoorden juist
3. Hoofdstuk 1 Tak: onderscheid gemaakt van verschillende type onderzoek. Welke
omschrijving past het best bij ‘assessment’?
a. Eerste, niet diepgravend onderzoek van de hulpvraag en haar context
b. Het meten van onderscheidende kenmerken van een individu
c. Het onderbrengen van individuele kenmerken bij een algemeen bekend beeld
4. Een gestandaardiseerde gedragsobservatie heeft 3 mogelijke doelen. Welke van de
onderstaande doelen is hier geen van?
a. een uitspraak te doen over te verwachten gedrag of gevoelens van de
proefpersoon buiten de testsituatie
b. te bepalen in hoeverre een proefpersoon aan de testvoorwaarden voldoet voor
een valide en betrouwbare afname.
c. een bepaalde vergelijking met andere proefpersonen mogelijk maken.
5. Wat hoort niet in de probleemanalyse
a. Taxatie van de problematiek
b. Chronologisch overzicht van de ontwikkeling van de client
c. Hulpvragen en verwachtigen van het client(systeem)
6. Wat wordt precies bedoelt met ‘sociale cognitie’ (tak H13)
a. Theoretiseren over eigen en andermans subjectieve gedachtewereld
b. Het denken over sociale werkelijkheid, over relaties en over regels
c. Alle gedrag van het kind dat gericht is op anderen, waarbij dus twee of meer
mensen betrokken zijn
7. Voor een diagnostisch interview
a. Is het type psychopathologie van het/de kinder(eren), zoals
gedragsproblemen, mogelijk een contra-indicatie
b. Zijn er over het algemeen geen contra-indicaties
c. is het type psychopathologie van (een van) de ouders, zoals een narcistische
persoonlijkheid, mogelijk een contra-indicatie
a. Deviatienormen
b. Rangordenormen
c. Verhoudingsnormen
2. Om als orthopedagoog vast te stellen welke hulp, instructie of pedagogische aanpak
wenselijk is om een problematische situatie in gunstige zin te veranderen wordt
gebruik gemaakt van:
a. Voorkeuren van kind en opvoeder
b. Informatie over relevante condities en interpretaties uit het verklarende
onderzoek
c. Beide antwoorden juist
3. Hoofdstuk 1 Tak: onderscheid gemaakt van verschillende type onderzoek. Welke
omschrijving past het best bij ‘assessment’?
a. Eerste, niet diepgravend onderzoek van de hulpvraag en haar context
b. Het meten van onderscheidende kenmerken van een individu
c. Het onderbrengen van individuele kenmerken bij een algemeen bekend beeld
4. Een gestandaardiseerde gedragsobservatie heeft 3 mogelijke doelen. Welke van de
onderstaande doelen is hier geen van?
a. een uitspraak te doen over te verwachten gedrag of gevoelens van de
proefpersoon buiten de testsituatie
b. te bepalen in hoeverre een proefpersoon aan de testvoorwaarden voldoet voor
een valide en betrouwbare afname.
c. een bepaalde vergelijking met andere proefpersonen mogelijk maken.
5. Wat hoort niet in de probleemanalyse
a. Taxatie van de problematiek
b. Chronologisch overzicht van de ontwikkeling van de client
c. Hulpvragen en verwachtigen van het client(systeem)
6. Wat wordt precies bedoelt met ‘sociale cognitie’ (tak H13)
a. Theoretiseren over eigen en andermans subjectieve gedachtewereld
b. Het denken over sociale werkelijkheid, over relaties en over regels
c. Alle gedrag van het kind dat gericht is op anderen, waarbij dus twee of meer
mensen betrokken zijn
7. Voor een diagnostisch interview
a. Is het type psychopathologie van het/de kinder(eren), zoals
gedragsproblemen, mogelijk een contra-indicatie
b. Zijn er over het algemeen geen contra-indicaties
c. is het type psychopathologie van (een van) de ouders, zoals een narcistische
persoonlijkheid, mogelijk een contra-indicatie