Persoonlijkheidsstoornissen
Temperament verwijst naar aangeboren, biologisch bepaald individuele verschillen tussen
mensen. De drie aangeboren temperamenten onderscheidt:
Vermijden van gevaar (harm avoidance)
Behoefte hebben aan nieuwe prikkels (novelty seeking)
Afhankelijk zijn van beloningen, zoals de waardering van anderen (reward
dependance)
Persoonlijksheidstrekken, het Big Five-model:
Openheid: hoe iemand open staat voor nieuwe ideeën en ervaringen tegenover
gesloten, rigide en dogmatisch denken.
Consciëntieusheid: gewetensvol, doelgericht en vasthoudend tegenover impulsief en
wispelturig.
Extraversie: mate waarin iemand naar buiten en op andere mensen gericht is
tegenover introversie.
Altruïsme: gericht op de belangen van anderen tegenover eigenbelang
Neuroticisme: mate van emotionele kwetsbaarheid van iemand tegenover
emotionele stabiliteit.
Veilige hechtingsstijl: beschikbaarheid en voldoende sensitieve reactie van de primaire
zorgvrager. Het kind zal bij afwezigheid van de ouder exploratief zijn, en de omgeving willen
verkennen. Oftewel, het kind leert autonoom functioneren, omdat het diep van binnen
vertrouwd op een ander. Het durft zich kwetsbaar op te stellen en leert na te denken over
zichzelf en anderen.
Onveilige hechtingsstijl: de vermijdende hechting en de ambivalente hechting.
Ambivalente hechtingsstijl: het kind klampt zich vast aan anderen, heeft een negatief
zelfbeeld en is chronisch onzeker.
Vermijdende hechting: negatief beeld van de beschikbaarheid van anderen, het
onderneemt geen poging om een relatie aan te gaan maar probeert alles zelf op te
lossen.
Desoriënterende hechting: afwisseling tussen toenadering en afwijzend gedrag.
Emotieregulatiestrategieën: aanvaarding, vermijding, probleemoplossing, cognitieve
herbeoordeling, rumineren en supressie.
Temperament verwijst naar aangeboren, biologisch bepaald individuele verschillen tussen
mensen. De drie aangeboren temperamenten onderscheidt:
Vermijden van gevaar (harm avoidance)
Behoefte hebben aan nieuwe prikkels (novelty seeking)
Afhankelijk zijn van beloningen, zoals de waardering van anderen (reward
dependance)
Persoonlijksheidstrekken, het Big Five-model:
Openheid: hoe iemand open staat voor nieuwe ideeën en ervaringen tegenover
gesloten, rigide en dogmatisch denken.
Consciëntieusheid: gewetensvol, doelgericht en vasthoudend tegenover impulsief en
wispelturig.
Extraversie: mate waarin iemand naar buiten en op andere mensen gericht is
tegenover introversie.
Altruïsme: gericht op de belangen van anderen tegenover eigenbelang
Neuroticisme: mate van emotionele kwetsbaarheid van iemand tegenover
emotionele stabiliteit.
Veilige hechtingsstijl: beschikbaarheid en voldoende sensitieve reactie van de primaire
zorgvrager. Het kind zal bij afwezigheid van de ouder exploratief zijn, en de omgeving willen
verkennen. Oftewel, het kind leert autonoom functioneren, omdat het diep van binnen
vertrouwd op een ander. Het durft zich kwetsbaar op te stellen en leert na te denken over
zichzelf en anderen.
Onveilige hechtingsstijl: de vermijdende hechting en de ambivalente hechting.
Ambivalente hechtingsstijl: het kind klampt zich vast aan anderen, heeft een negatief
zelfbeeld en is chronisch onzeker.
Vermijdende hechting: negatief beeld van de beschikbaarheid van anderen, het
onderneemt geen poging om een relatie aan te gaan maar probeert alles zelf op te
lossen.
Desoriënterende hechting: afwisseling tussen toenadering en afwijzend gedrag.
Emotieregulatiestrategieën: aanvaarding, vermijding, probleemoplossing, cognitieve
herbeoordeling, rumineren en supressie.