Collectieve Feedback Examen
staatsrecht
Op 28 mei heb je mogelijkheid samen met gesloten boek eindexamen herkansingsexamen
voor 1 te doen.
Zie map alg informate voor ddnamiek examens.
Eindexamen 2- basisbegrippen tweede lijst/ deel boek Belgisch publiekrecht deel II
Examen eerste semester
Vraag 1: 0,5 punt
Stelling: indien een rechter, krachtens het arrest Walefe, een bijzondere machtenwet
conform de Gw. interpreteert, dan mag hij het ongrondwetelijk volmachtenbesluit op basis
van de strijdigheid met de bijzondere machtenwet buiten beschouwing laten.
Bent u het eens?
Zo ja waarom en welke basis?
Zo niet, waarom niet en op welke basis?
Je zou moeten mee eens zijn, rechter mag besluit buiten beschouwing laten, omwille van die
basis. Moest er staan alle hogere normen.
Bedoeling was heef student door dat enkel gaat over bijzondere machtenwet.
Algemeen hogere normen fout, maar aangaf mag enkel op bijzondere machtenwet dan
bent u eens.
Antwoord ergens in deze buurt zijn.
Fouten: studenten die te ruim antwoorden snel 0 op halve score.
Vraag 2: 0,5 punt
ken uw begrippen, faciliteitengemeenten, taalgebied ga na wie wat waar is niet echt uit
hoofdstuk hiërarchie der rechtsnormen
Ficteve casus
Over mevrouw die schepen is in gemeente, gemeente is een faciliteitengemeente (staat in
casus) en ze heef om inwoners welkom te heten, brief geschreven in Fr en Nl handelt ze in
overeenstemming met de wet? En waarom? En rechtsgronden bijschrijven!
Belangrijk eerst principe schetsen. Ga daarna na waar leg je de uitzonderingen. Want in
het recht vaak uitzondering op algemeen principe.
Je hebt gemeente en ligt in eentalig taalgebied in nederlands principe dus nederlands
gebruiken, tenzij een betrokken inwoner erom verzoekt in een andere taal aangesproken te
, worden. Uitzondering speelt niet want geen enkele inwoner vroeg hierom. Om die reden
schend de schepen het principe, dus antwoord hier nee.
De rechtsgrond was artkel 4 van de GW dat om volledig te zijn.
Vraag 3: 1 punt
Vergelijkingsvraag
Hier vragen ze verschillen
Kan ook variëren in tweede zit naar gelijkenissen
Vooral geantwoord rond deze drie componenten:
Waarde ontstaan hoe w afgeleid
Algemeen rechtsbeginsel Grondwetelijke gewoonte
Kan een wetelijke waarde hebben Kan enkel een grondwetelijke waarde
hebben
Vult de wet aan Vult de Grondwet aan
Komt uit rechterlijke orde Is uit de praktjk ontstaan. Zo is het al altjd
geweest/ gedaan
Afgeleid uit principes Afgeleid uit de praktjk
Valkuil gelijkenissen geschreven vs ongeschreven zeggen grondwetelijke gewoonte
niet herkent door GWH ook fout
1 punt
alle drie rijen correct 3/3
twee rijen juist 2/3
1 correct was
Vraag 4:
a) Situeer de plaats van de bijzondere meerderheidswet tov de GW in de hierarchie der
rechtsnormen 1 punt
Specifeer in onderstaand antwoord
- De plaats van beide normen 0,25
Duidelijk maken dat GW hoger staat dan bijzondere meerderheidswet
- De mate van afdwingbaarheid van de verhouding 0,25
Toetsingsmaatstaf kijken van het GWH – bepaald mate van afdwingbaarheid – Titel 2
en de bevoegdheid verdelende regels.
Toetsingsmaatstaf = dat gene waar men aan toetst
Toetsing voorwerp = datgene dat men toetst
Dat bepaald de mate van afdwingbaarheid
- Welke rechtscollege voor deze afdwingbaarheid instaat
Grond Wetelijk Hof
Met dat toetsingsvoorwerp kan je nooit naar RvS – behandelt niet dat
toetsingsvoorwerp
staatsrecht
Op 28 mei heb je mogelijkheid samen met gesloten boek eindexamen herkansingsexamen
voor 1 te doen.
Zie map alg informate voor ddnamiek examens.
Eindexamen 2- basisbegrippen tweede lijst/ deel boek Belgisch publiekrecht deel II
Examen eerste semester
Vraag 1: 0,5 punt
Stelling: indien een rechter, krachtens het arrest Walefe, een bijzondere machtenwet
conform de Gw. interpreteert, dan mag hij het ongrondwetelijk volmachtenbesluit op basis
van de strijdigheid met de bijzondere machtenwet buiten beschouwing laten.
Bent u het eens?
Zo ja waarom en welke basis?
Zo niet, waarom niet en op welke basis?
Je zou moeten mee eens zijn, rechter mag besluit buiten beschouwing laten, omwille van die
basis. Moest er staan alle hogere normen.
Bedoeling was heef student door dat enkel gaat over bijzondere machtenwet.
Algemeen hogere normen fout, maar aangaf mag enkel op bijzondere machtenwet dan
bent u eens.
Antwoord ergens in deze buurt zijn.
Fouten: studenten die te ruim antwoorden snel 0 op halve score.
Vraag 2: 0,5 punt
ken uw begrippen, faciliteitengemeenten, taalgebied ga na wie wat waar is niet echt uit
hoofdstuk hiërarchie der rechtsnormen
Ficteve casus
Over mevrouw die schepen is in gemeente, gemeente is een faciliteitengemeente (staat in
casus) en ze heef om inwoners welkom te heten, brief geschreven in Fr en Nl handelt ze in
overeenstemming met de wet? En waarom? En rechtsgronden bijschrijven!
Belangrijk eerst principe schetsen. Ga daarna na waar leg je de uitzonderingen. Want in
het recht vaak uitzondering op algemeen principe.
Je hebt gemeente en ligt in eentalig taalgebied in nederlands principe dus nederlands
gebruiken, tenzij een betrokken inwoner erom verzoekt in een andere taal aangesproken te
, worden. Uitzondering speelt niet want geen enkele inwoner vroeg hierom. Om die reden
schend de schepen het principe, dus antwoord hier nee.
De rechtsgrond was artkel 4 van de GW dat om volledig te zijn.
Vraag 3: 1 punt
Vergelijkingsvraag
Hier vragen ze verschillen
Kan ook variëren in tweede zit naar gelijkenissen
Vooral geantwoord rond deze drie componenten:
Waarde ontstaan hoe w afgeleid
Algemeen rechtsbeginsel Grondwetelijke gewoonte
Kan een wetelijke waarde hebben Kan enkel een grondwetelijke waarde
hebben
Vult de wet aan Vult de Grondwet aan
Komt uit rechterlijke orde Is uit de praktjk ontstaan. Zo is het al altjd
geweest/ gedaan
Afgeleid uit principes Afgeleid uit de praktjk
Valkuil gelijkenissen geschreven vs ongeschreven zeggen grondwetelijke gewoonte
niet herkent door GWH ook fout
1 punt
alle drie rijen correct 3/3
twee rijen juist 2/3
1 correct was
Vraag 4:
a) Situeer de plaats van de bijzondere meerderheidswet tov de GW in de hierarchie der
rechtsnormen 1 punt
Specifeer in onderstaand antwoord
- De plaats van beide normen 0,25
Duidelijk maken dat GW hoger staat dan bijzondere meerderheidswet
- De mate van afdwingbaarheid van de verhouding 0,25
Toetsingsmaatstaf kijken van het GWH – bepaald mate van afdwingbaarheid – Titel 2
en de bevoegdheid verdelende regels.
Toetsingsmaatstaf = dat gene waar men aan toetst
Toetsing voorwerp = datgene dat men toetst
Dat bepaald de mate van afdwingbaarheid
- Welke rechtscollege voor deze afdwingbaarheid instaat
Grond Wetelijk Hof
Met dat toetsingsvoorwerp kan je nooit naar RvS – behandelt niet dat
toetsingsvoorwerp