Begrip management heeft 3 betekenissen
1.functionarissen; topmanagement, uitvoerend management. Een manager is
iemand die in een organisatie het handelen van andere stuurt.
2. activiteiten: De betekenis van de activiteiten, bijvoorbeeld, mismanagement.
3. vakgebied: Alle kennis en kunde die is ontstaan op dat gebied.
Een manager heeft een mix van constituerende en dirigerende taken.
- dirigerende taak: Opdrachten geven controle op de uitvoeren ervan.
- constituerende taak: plannen en organiseren.
Mintzbergen onderscheid drie groepen van activiteiten of rollen die een manager kan
uitvoeren:
interpersoonlijke rollen: manager treed naar voren als boegbeeld van de
organisatie, als leider die mensen aanstuurt en motiveert.
Informationele rollen: Manager houd goed in de gaten wat binnen en buiten de
onderneming gebeurd. Verspreid informatie intern. Informeert de buitenwereld wat de
organisatie doet.
Besluitvormende rollen: Is de manager ondernemer, lost problemen op, wijst
middelen toe en onderhandelt intern en extern.
Het werk van een manager bestaat uit activiteiten die vaak kort duren. Mintzbergen
karakteriseert het als, kortstondig, gevarieerd en gefragmenteerd.
Het begrip organisatie; drie beschrijvingen
1. Een eenheid van mensen, middelen en methoden die zijn samengebracht.
Denk hierbij aan Unilever, maar ook sportvereniging.
2. De wijze waarop de organisatie is ingericht. De structuur, waar zijn
vestigingen gelegen.
3. Betrekking op activiteit van het organiseren zelf. Men spreekt over de
organisatie van bijvoorbeeld de wereldkampioenschap.
Elk bedrijf heeft een streven een vooraf geformuleerd doel te bereiken. Dit gaat door
een bepaald transformatieproces. Binnen de throughput onderscheid men de
logistieke activiteiten en ondersteunende activiteiten.
Logistieke activiteiten: die direct samenhangen met het voortbrengen van de
uiteindelijke producten en diensten van de organisatie.
, Ondersteunende activiteiten: de ondersteunende activiteiten sturen de logistieke
activiteiten aan.
- Ondersteunend
Input uit externe omgeving. → → output naar externe omgeving
- Logistiek
Beschrijvende theorie:
geeft weer hoe de werkelijkheid eruitziet volgende de ontdekker. Schrijft de
werkelijkheid en de verbanden, maar niet de relatie met succes.
Voorschrijvende theorie:
Gaat verder op beschrijvende theorie en geeft aan hoe de werkelijkheid te
verbeteren is.
De theorie van Kotter is voorschrijvende theorie, en Mintzbergen van beschrijvende.
Hier moet men bij opletten, niet alles is in praktijk het zelfde.
Universele theorie:
Geeft aan hoe de werkelijkheid er altijd uitziet. Soms geeft het aanwijzingen voor de
praktijk die dan altijd en overal tot succes zouden moeten leiden. In praktijk ziet men
dat lang niet in alle gevallen succes volgt na toepassing van de aanbevelingen.
Situatieafhankelijke theorie:
wat tot succes leidt hangt in hoge mate af van de aard van de situatie in een
onderneming.
Praktijk en onderzoek:
In praktijk lijkt het erop dat veel managers inzichten overnemen zonder na te gaan
hoe betrouwbaar de theorie is. Hierdoor kunnen er nog wel eens dingen fout gezien
worden.
Bij managers komen geregeld situaties voor die anders zijn dan wenselijk is. Deze
wijken af van de doelen die in de organisatie zijn afgesproken.
Fasen in besluit vorming: Probleemstelling→ oplossingsrichtingen → kiezen
1. Probleemstelling uitwerken:
Operationele problemen zijn vaak duidelijk zichtbaar, dit is niet het geval bij
strategische problemen. Om zicht te krijgen op de oorzaak van het probleem is een
krachtenveldanalyse nuttig.