Samenvatting KNGF richtlijn Enkelletsel
Acuut enkelletsel
In deze richtlijn wordt onder acuut enkelletsel verstaan een inversieletsel waarbij onderzoek en
behandeling plaatsvinden 0 tot 6 weken na het ontstaan ervan. De in deze richtlijn bedoelde
sportspecifieke revalidatie bij maximale sporters kan zich uitstrekken tot ongeveer twaalf weken na
ontstaan van het letsel. Instroom vindt idealiter plaats tussen 0 tot 5 dagen na het ontstaan van het
letsel (acute fase). Aan de hand van de fasen van weefselherstel bepaalt de fysiotherapeut of er sprake is
van een normaal of afwijkend herstelproces. Hiervan is de indicatiestelling en het behandelbeleid
afhankelijk. Een ‘normaal’ herstelproces leidt binnen 6 tot 8 weken tot functieherstel en genezing zonder
restletsels (zoals functionele instabiliteit). Binnen twaalf weken hebben de meeste patiënten het sporten
weer hervat op hetzelfde niveau als voor het trauma. Lopen zal in de meeste gevallen weer mogelijk zijn
binnen één tot twee weken. Indien dit niet het geval is, dienen belemmerende factoren te worden
opgespoord. Bij een inversietrauma valt in dit kader te denken aan:
• relevante nevenpathologie die ‘normaal’ herstel belemmert (zoals artrose);
• een sterk ‘uit de hand gelopen ontstekingsreactie’;
• niet te verklaren pijn die de patiënt op geen enkele manier onder controle heeft; onvoldoende
aanpassing van het houdings- en bewegingsgedrag van de patiënt (relatieve of absolute overbelasting);
• angst om te belasten;
• een recidief en/of
• een pre-existent instabiele enkel.
Functionele instabiliteit
Er is sprake van functionele instabiliteit indien na een inversieletsel restklachten blijven bestaan in de
vorm van ‘givingaway’ of recidiverend zwikken. Patiënten kunnen angst hebben om te belasten. Tijdens
langdurige belasting kan pijn ontstaan. Klachten na langdurige belasting kunnen zijn: pijn, zwelling en
gewrichtsstijfheid. Symptomen als acute pijn en zwelling zijn minder prominent aanwezig en, indien
aanwezig, gerelateerd aan overbelasting of feitelijk opnieuw zwikken. Functionele instabiliteit kan leiden
tot ongewenst aangepast gedrag, een afwijkend gangpatroon, het vermijden van dagelijkse bezigheden,
of problemen met activiteiten op het werk of met sporten op het gewenste niveau. Factoren die van
invloed kunnen zijn op het ontstaan en/of het voortbestaan van functionele instabiliteit zijn:
• mechanische instabiliteit (laxiteit van het kapsel-bandapparaat);
• verstoorde proprioceptie;
• verminderde spierkracht;
• vertraagde reactietijd van spieren;
• chronische synovitis;
• verminderde dorsale flexie;
• een inadequate wijze van omgaan met de klachten en angst en onzekerheid over de stabiliteit van de
enkel.
,
Acuut enkelletsel
In deze richtlijn wordt onder acuut enkelletsel verstaan een inversieletsel waarbij onderzoek en
behandeling plaatsvinden 0 tot 6 weken na het ontstaan ervan. De in deze richtlijn bedoelde
sportspecifieke revalidatie bij maximale sporters kan zich uitstrekken tot ongeveer twaalf weken na
ontstaan van het letsel. Instroom vindt idealiter plaats tussen 0 tot 5 dagen na het ontstaan van het
letsel (acute fase). Aan de hand van de fasen van weefselherstel bepaalt de fysiotherapeut of er sprake is
van een normaal of afwijkend herstelproces. Hiervan is de indicatiestelling en het behandelbeleid
afhankelijk. Een ‘normaal’ herstelproces leidt binnen 6 tot 8 weken tot functieherstel en genezing zonder
restletsels (zoals functionele instabiliteit). Binnen twaalf weken hebben de meeste patiënten het sporten
weer hervat op hetzelfde niveau als voor het trauma. Lopen zal in de meeste gevallen weer mogelijk zijn
binnen één tot twee weken. Indien dit niet het geval is, dienen belemmerende factoren te worden
opgespoord. Bij een inversietrauma valt in dit kader te denken aan:
• relevante nevenpathologie die ‘normaal’ herstel belemmert (zoals artrose);
• een sterk ‘uit de hand gelopen ontstekingsreactie’;
• niet te verklaren pijn die de patiënt op geen enkele manier onder controle heeft; onvoldoende
aanpassing van het houdings- en bewegingsgedrag van de patiënt (relatieve of absolute overbelasting);
• angst om te belasten;
• een recidief en/of
• een pre-existent instabiele enkel.
Functionele instabiliteit
Er is sprake van functionele instabiliteit indien na een inversieletsel restklachten blijven bestaan in de
vorm van ‘givingaway’ of recidiverend zwikken. Patiënten kunnen angst hebben om te belasten. Tijdens
langdurige belasting kan pijn ontstaan. Klachten na langdurige belasting kunnen zijn: pijn, zwelling en
gewrichtsstijfheid. Symptomen als acute pijn en zwelling zijn minder prominent aanwezig en, indien
aanwezig, gerelateerd aan overbelasting of feitelijk opnieuw zwikken. Functionele instabiliteit kan leiden
tot ongewenst aangepast gedrag, een afwijkend gangpatroon, het vermijden van dagelijkse bezigheden,
of problemen met activiteiten op het werk of met sporten op het gewenste niveau. Factoren die van
invloed kunnen zijn op het ontstaan en/of het voortbestaan van functionele instabiliteit zijn:
• mechanische instabiliteit (laxiteit van het kapsel-bandapparaat);
• verstoorde proprioceptie;
• verminderde spierkracht;
• vertraagde reactietijd van spieren;
• chronische synovitis;
• verminderde dorsale flexie;
• een inadequate wijze van omgaan met de klachten en angst en onzekerheid over de stabiliteit van de
enkel.
,