Samenvatting module 6 Traumatologie
Latijnse benamingen
CWK = Cervicale
wervelkolom
Humerus = Opperarmbeen
Os Ischium = Zitbeen
Pelvis = Bekken
TWK = Thoracale
Wervelkolom
Ulna = Ellepijp
Os Sacrum = Heiligbeen
Thorax = Borstholte
LWK = Lumbale
wervelkolom
Radius = Spaakbeen
Os Pubis = Schaambeen
Phalangen 2x =
Vingerkootjes en de
teenkootjes
Scapula = Schouderblad
Tibia = Scheenbeen
Sternum = Borstbeen
Collum = Dijbeen
Clavicula = Sleutelbeen
Fibula = Kuitbeen
Costa = Rib
Patella = Knieschijf
Meta Tarsalia = Middenvoetsbeentjes
Meta Carpalia = Middenhandsbeentjes
Maxilla = Bovenkaak
Mandibula = Onderkaak
Femur = Dijbeen
Cranium = Schedel
Os Coccygis = Staartbeen
Os Ilium = Darmbeen
Overige Latijnse Benamingen (A&F boek)
Cranium cerebrale = Hersenschedel
Os Frontale = Voorhoofdsbeen
Sinus Frontalis = Voorhoofdsholte
Os parietale = Wandbeen
Os temporale = Slaapbeen
Os occipitale = Achterhoofdsbeen
Os ethmoidale = Zeefbeen
Os sphenoidale = Wiggenbeen
Os nasale = Neusbeenderen
,Os vomer = Jukbeen
Brachium = Arm
Manus = Hand
Carpalia = Handwortelbeentjes
Tarsalia = Voetwortelbeentjes
Pes = Voet
Calcaneus = Hielbeen
Sprongbeen = Talus
Anatomie skelet
De functies van het skelet
Het centrale deel van het skelet wordt gevormd door de schedel, de
borstkas en de wervelkolom. Deze delen samen noem je de lichaamsas.
Ondersteuning. De botten bieden steun aan het hele lichaam.
Aanhechting. De botten vormen de aanhechtingsplaats voor de
spieren.
Beweging. Botten kunnen ten opzichte van elkaar bewegen. Dat is
mogelijk doordat ze via beweeglijke gewrichten met elkaar
verbonden zijn. Door de samentrekkingen van de spieren kunnen de
botten worden bewogen. Een spier zit met de ene pees aan het ene
bot vast en met de andere pees aan het andere bot. Tussen die
botten zit een gewricht. Door de trekkracht van de spier kunnen
botten ten opzichte van elkaar bewegen.
Bescherming. Met name de botten van de lichaamsas beschermen
kwetsbare, inwendige organen.
Vorming van bloedcellen. Bloedcellen worden in het rode beenmerg
gevormd. Rood beenmerg zit in de inwendige holten van veel
botten.
Opslag. Het skelet is een reservoir van mineralen, met name van
calcium (kalk) en fosfaat.
De bouw van het bot
Botweefsel is een steunweefsel met een heel stevige tussencelstof
(matrix). De stevigheid wordt vooral veroorzaakt door kalkzouten die
ongeveer 70% van de tussencelstof uitmaken.
De rest van de tussencelstof bestaat uit collagene vezels. Deze vezels
geven het bot een zekere veerkracht.
Botvlies. Alle botten zijn bedekt met het botvlies (periost). Het is een
taai vlies van bindweefsel. Het botvlies voorziet het bot van bloed
door middel van aanvoerende en afvoerende bloedvaten.
Compact botweefsel. Dit weefsel (substantia compacta) ligt tegen
het botvlies aan. Compact botweefsel is rij massief doordat de
botbuizen dicht tegen elkaar aan liggen. Een botbuis (osteon) is een
lange zuil van botweefsel met in het centrum een holte
(haverskanaal). Door deze holte lopen de bloedvaten.
Sponsachtig botweefsel. Elk bot bestaat voor een deel uit dit weefsel
(substantia spongiosa). Dit botweefsel is gestructureerd tot een
netwerk van beenbalkjes. Deze beenbalkjes worden van elkaar
gescheiden door holten. In deze holten zit het rode beenmerg.
, Botafbraak en botopbouw
Botweefsel is rijk doorbloed en heeft een
hoge stofwisseling. Door de constante cyclus van afbraak en opbouw
wordt de specifieke botstructuur onderhouden, hersteld of versterkt.
De afbraak van botweefsel gebeurt door botvretende cellen
(osteoclasten). Dat zijn grote bindweefselcellen die zuren en enzymen
afscheiden. Deze breken het botweefsel van een botbuis af.
Tegelijkertijd zijn de botvormende cellen (osteoblasten) actief. Dat zijn
bindweefselcellen die de tussencelstof voor een nieuwe botbuis vormen.
Tegen de tijd dat er een nieuwe botbuis gevormd is zijn de botvretende
cellen uitgewerkt en veranderen ze in botcellen (osteocyten). Botcellen
zorgen voor het onderhoud van het botweefsel.
Indeling van de botten (soorten botten)
Pijpbeenderen. Pijpbeenderen bieden grote steel aan het lichaam.
Door hun relatief grote lengte fungeren ze als hefboom.
Pijpbeenderen komen alleen in de ledematen voor:
- Het opperarmbeen
- De ellepijp
- Het spaakbeen
- De middenhandsbeentjes
- De vingerkootjes
- Het dijbeen
- Het scheenbeen
- Het kuitbeen
- De middenvoetsbeentjes
- De teenkootjes
Platte beenderen. Deze soort botten hebben een groot oppervlak en
daarom zijn ze zeer geschikt voor de aanhechting van spieren.
Sommige platte beenderen dienen ter bescherming van de
onderliggende organen:
- De schedelbeenderen
- De schouderbladen
- De heupbeenderen
- De ribben
- Het borstbeen
Korte beenderen. Deze kleine botjes zijn heel geschikt om de
krachten te verdelen die ontstaan bij mechanische belasting:
- De handwortelbeentjes
- De voetwortelbeentjes
- De knieschijven
Latijnse benamingen
CWK = Cervicale
wervelkolom
Humerus = Opperarmbeen
Os Ischium = Zitbeen
Pelvis = Bekken
TWK = Thoracale
Wervelkolom
Ulna = Ellepijp
Os Sacrum = Heiligbeen
Thorax = Borstholte
LWK = Lumbale
wervelkolom
Radius = Spaakbeen
Os Pubis = Schaambeen
Phalangen 2x =
Vingerkootjes en de
teenkootjes
Scapula = Schouderblad
Tibia = Scheenbeen
Sternum = Borstbeen
Collum = Dijbeen
Clavicula = Sleutelbeen
Fibula = Kuitbeen
Costa = Rib
Patella = Knieschijf
Meta Tarsalia = Middenvoetsbeentjes
Meta Carpalia = Middenhandsbeentjes
Maxilla = Bovenkaak
Mandibula = Onderkaak
Femur = Dijbeen
Cranium = Schedel
Os Coccygis = Staartbeen
Os Ilium = Darmbeen
Overige Latijnse Benamingen (A&F boek)
Cranium cerebrale = Hersenschedel
Os Frontale = Voorhoofdsbeen
Sinus Frontalis = Voorhoofdsholte
Os parietale = Wandbeen
Os temporale = Slaapbeen
Os occipitale = Achterhoofdsbeen
Os ethmoidale = Zeefbeen
Os sphenoidale = Wiggenbeen
Os nasale = Neusbeenderen
,Os vomer = Jukbeen
Brachium = Arm
Manus = Hand
Carpalia = Handwortelbeentjes
Tarsalia = Voetwortelbeentjes
Pes = Voet
Calcaneus = Hielbeen
Sprongbeen = Talus
Anatomie skelet
De functies van het skelet
Het centrale deel van het skelet wordt gevormd door de schedel, de
borstkas en de wervelkolom. Deze delen samen noem je de lichaamsas.
Ondersteuning. De botten bieden steun aan het hele lichaam.
Aanhechting. De botten vormen de aanhechtingsplaats voor de
spieren.
Beweging. Botten kunnen ten opzichte van elkaar bewegen. Dat is
mogelijk doordat ze via beweeglijke gewrichten met elkaar
verbonden zijn. Door de samentrekkingen van de spieren kunnen de
botten worden bewogen. Een spier zit met de ene pees aan het ene
bot vast en met de andere pees aan het andere bot. Tussen die
botten zit een gewricht. Door de trekkracht van de spier kunnen
botten ten opzichte van elkaar bewegen.
Bescherming. Met name de botten van de lichaamsas beschermen
kwetsbare, inwendige organen.
Vorming van bloedcellen. Bloedcellen worden in het rode beenmerg
gevormd. Rood beenmerg zit in de inwendige holten van veel
botten.
Opslag. Het skelet is een reservoir van mineralen, met name van
calcium (kalk) en fosfaat.
De bouw van het bot
Botweefsel is een steunweefsel met een heel stevige tussencelstof
(matrix). De stevigheid wordt vooral veroorzaakt door kalkzouten die
ongeveer 70% van de tussencelstof uitmaken.
De rest van de tussencelstof bestaat uit collagene vezels. Deze vezels
geven het bot een zekere veerkracht.
Botvlies. Alle botten zijn bedekt met het botvlies (periost). Het is een
taai vlies van bindweefsel. Het botvlies voorziet het bot van bloed
door middel van aanvoerende en afvoerende bloedvaten.
Compact botweefsel. Dit weefsel (substantia compacta) ligt tegen
het botvlies aan. Compact botweefsel is rij massief doordat de
botbuizen dicht tegen elkaar aan liggen. Een botbuis (osteon) is een
lange zuil van botweefsel met in het centrum een holte
(haverskanaal). Door deze holte lopen de bloedvaten.
Sponsachtig botweefsel. Elk bot bestaat voor een deel uit dit weefsel
(substantia spongiosa). Dit botweefsel is gestructureerd tot een
netwerk van beenbalkjes. Deze beenbalkjes worden van elkaar
gescheiden door holten. In deze holten zit het rode beenmerg.
, Botafbraak en botopbouw
Botweefsel is rijk doorbloed en heeft een
hoge stofwisseling. Door de constante cyclus van afbraak en opbouw
wordt de specifieke botstructuur onderhouden, hersteld of versterkt.
De afbraak van botweefsel gebeurt door botvretende cellen
(osteoclasten). Dat zijn grote bindweefselcellen die zuren en enzymen
afscheiden. Deze breken het botweefsel van een botbuis af.
Tegelijkertijd zijn de botvormende cellen (osteoblasten) actief. Dat zijn
bindweefselcellen die de tussencelstof voor een nieuwe botbuis vormen.
Tegen de tijd dat er een nieuwe botbuis gevormd is zijn de botvretende
cellen uitgewerkt en veranderen ze in botcellen (osteocyten). Botcellen
zorgen voor het onderhoud van het botweefsel.
Indeling van de botten (soorten botten)
Pijpbeenderen. Pijpbeenderen bieden grote steel aan het lichaam.
Door hun relatief grote lengte fungeren ze als hefboom.
Pijpbeenderen komen alleen in de ledematen voor:
- Het opperarmbeen
- De ellepijp
- Het spaakbeen
- De middenhandsbeentjes
- De vingerkootjes
- Het dijbeen
- Het scheenbeen
- Het kuitbeen
- De middenvoetsbeentjes
- De teenkootjes
Platte beenderen. Deze soort botten hebben een groot oppervlak en
daarom zijn ze zeer geschikt voor de aanhechting van spieren.
Sommige platte beenderen dienen ter bescherming van de
onderliggende organen:
- De schedelbeenderen
- De schouderbladen
- De heupbeenderen
- De ribben
- Het borstbeen
Korte beenderen. Deze kleine botjes zijn heel geschikt om de
krachten te verdelen die ontstaan bij mechanische belasting:
- De handwortelbeentjes
- De voetwortelbeentjes
- De knieschijven