hoorcollege 1 - Differences between people
Taxonomy= classificeren van verschillende labels om ze in de grotere categorieen te
plaatsen
4 temparementen (HIPPOCRATES) en dus 4 verschillende lichaamsvloeistoffen
(PERSONALITY TYPES):
1. sanguine (blood)= vatbaar voor optimisme
2. choleric (gele gal)= vatbaar voor woede
3. phlegmatic (slijm)= vatbaar voor apathie
4. melancholic (zwarte gal)= vatbaar voor verdriet
Astrologie
d.m.v. sterren persoonlijkheid identificeren.
pseudowetenschap= door vage en abstracte taal niet goed te testen door wetenschap.
barnum effect= statements zijn zo breed dat iedereen zich eraan kan relateren. Vage
beschrijvingen van persoonlijkheid
frenologie (GALL, 1796)
Mensen classificeren zich door de vorm en grootte van de schedel.
- Gall is grondlegger van neuropsychologie
- niet veel bewijs gevonden maar ^
- pseudowetenschap
somatotype theorie (SHELDON, 1940)
Lichaamsbouw heeft invloed op persoonlijkheid.
ectomorphs= verlegen en geheimzinnig (dun)
mesomorphs= meer agressief (normaal)
endomorphs= vriendelijk and outgoing (dik)
kritiek= zwak empirisch methodology
pillars of individual diferences
- intelligentie
nature vs. nurture
tweelingonderzoek -> triplets
Hoorcollege 2 - Patric Esters
Sigmund Freud (1856-1939)
- ID, EGO, SUPEREGO
- THANATOS EN LIBIDO
- psychosexual stages
1
, - defensemechanisms
- free association
- dreams
- transference
somatization= defense mechanism occurs when the internal conflicts between the drives of
the id, ego and superego take on physical characteristics.
Hoorcollege 3 - big five theorie
Personality trait verschillen tussen mensen zijn continuous en normaal verdeeld.
2
, De sterke kanten van het big five model is dat er een goede beschrijvende model van traits
zijn, het geeft een structuur voor onderzoek en toepassing, ocean/hexaco organiseren meer
subtraits bij de grote traits en het is een goede voorspeller van levensverwachtingen.
De zwakke kanten zijn positieve/negatieve evaluatie, masculine/feminine, religie, narcisme,
psychopathy en arrogantie. Niet altijd cross cultural toe te passen. Big five alleen descriptive
en geeft geen oorzaak/mechanisme/effect.
Self-report questionnaires worden het meest gebruikt voor personality assesment en het is
makkelijk en goedkoop. De lengte kan varieren van 10 (TIPI) tot 240 (NEO-PI-R).
Plaster hypothesis zijn traits die je ontwikkelt in je kindertijd en de krijgen een volwassen
vorm in volwassenheid. Deze zijn stabiel in cognitieve intacte mensen. Meeste traits volledig
gevormd rond 30 jaar. Er zijn limited omgevings invloeden en de driving factor is biologie.
Plasticity hypothesis is dat personality kneedbaar is gedurende onze leven en deze kan
veranderen door verandering in omgeving, sociale rollen, levensgebeurtenisse/transities etc.
Hoorcollege 4 - Intelligentie
G-factor van Spearman zegt dat cognitieve ability tasks gecorreleerd zijn met elkaar. Als je
het goed doet op een test doe je dat waarschijnlijk ook op een andere test. Doe je het goed
op een onderwerp? Dan ga je het ook goed doen op een ander onderwerp.
- G factor staat voor algemene intelligentie, algemene mentale capaciteit (GMA) en
algemene cognitieve capaciteit (GCA).
- kritiek op G factor is dat het te simpel is, G kan niet worden gevonden in de brein, je
rankt mensen in een serie van waardigheid en het is alleen van toepassing op
academische skills of examens.
Dark triad article
3
Taxonomy= classificeren van verschillende labels om ze in de grotere categorieen te
plaatsen
4 temparementen (HIPPOCRATES) en dus 4 verschillende lichaamsvloeistoffen
(PERSONALITY TYPES):
1. sanguine (blood)= vatbaar voor optimisme
2. choleric (gele gal)= vatbaar voor woede
3. phlegmatic (slijm)= vatbaar voor apathie
4. melancholic (zwarte gal)= vatbaar voor verdriet
Astrologie
d.m.v. sterren persoonlijkheid identificeren.
pseudowetenschap= door vage en abstracte taal niet goed te testen door wetenschap.
barnum effect= statements zijn zo breed dat iedereen zich eraan kan relateren. Vage
beschrijvingen van persoonlijkheid
frenologie (GALL, 1796)
Mensen classificeren zich door de vorm en grootte van de schedel.
- Gall is grondlegger van neuropsychologie
- niet veel bewijs gevonden maar ^
- pseudowetenschap
somatotype theorie (SHELDON, 1940)
Lichaamsbouw heeft invloed op persoonlijkheid.
ectomorphs= verlegen en geheimzinnig (dun)
mesomorphs= meer agressief (normaal)
endomorphs= vriendelijk and outgoing (dik)
kritiek= zwak empirisch methodology
pillars of individual diferences
- intelligentie
nature vs. nurture
tweelingonderzoek -> triplets
Hoorcollege 2 - Patric Esters
Sigmund Freud (1856-1939)
- ID, EGO, SUPEREGO
- THANATOS EN LIBIDO
- psychosexual stages
1
, - defensemechanisms
- free association
- dreams
- transference
somatization= defense mechanism occurs when the internal conflicts between the drives of
the id, ego and superego take on physical characteristics.
Hoorcollege 3 - big five theorie
Personality trait verschillen tussen mensen zijn continuous en normaal verdeeld.
2
, De sterke kanten van het big five model is dat er een goede beschrijvende model van traits
zijn, het geeft een structuur voor onderzoek en toepassing, ocean/hexaco organiseren meer
subtraits bij de grote traits en het is een goede voorspeller van levensverwachtingen.
De zwakke kanten zijn positieve/negatieve evaluatie, masculine/feminine, religie, narcisme,
psychopathy en arrogantie. Niet altijd cross cultural toe te passen. Big five alleen descriptive
en geeft geen oorzaak/mechanisme/effect.
Self-report questionnaires worden het meest gebruikt voor personality assesment en het is
makkelijk en goedkoop. De lengte kan varieren van 10 (TIPI) tot 240 (NEO-PI-R).
Plaster hypothesis zijn traits die je ontwikkelt in je kindertijd en de krijgen een volwassen
vorm in volwassenheid. Deze zijn stabiel in cognitieve intacte mensen. Meeste traits volledig
gevormd rond 30 jaar. Er zijn limited omgevings invloeden en de driving factor is biologie.
Plasticity hypothesis is dat personality kneedbaar is gedurende onze leven en deze kan
veranderen door verandering in omgeving, sociale rollen, levensgebeurtenisse/transities etc.
Hoorcollege 4 - Intelligentie
G-factor van Spearman zegt dat cognitieve ability tasks gecorreleerd zijn met elkaar. Als je
het goed doet op een test doe je dat waarschijnlijk ook op een andere test. Doe je het goed
op een onderwerp? Dan ga je het ook goed doen op een ander onderwerp.
- G factor staat voor algemene intelligentie, algemene mentale capaciteit (GMA) en
algemene cognitieve capaciteit (GCA).
- kritiek op G factor is dat het te simpel is, G kan niet worden gevonden in de brein, je
rankt mensen in een serie van waardigheid en het is alleen van toepassing op
academische skills of examens.
Dark triad article
3