W1 Zelfmanagement
Leerdoelen:
- De DIO heeft kennis van zelfmanagement
- De DIO heeft kennis van het begrip empowerment
- De DIO heeft kennis van het begrip wilskracht
- De DIO heeft kennis van de relatie diabetes type 1 en depressie
- De DIO is in staat voor en nadelen te benoemen van zelfmanagement
- De DIO kent verschillende zelfmanagementeducatieprogramma’s of hulpmiddelen bij DM1
- De DIO selecteert het juiste programma/hulpmiddel bij doelstellingen en cliënten
- De DIO past deze hulpmiddelen toe in een gesprek met een (simulatie)cliënt
- De DIO weet welke vormen van e-health er zijn en welke geschikt zijn om in te zetten bij DM1
- De DIO gaat in gesprek met een cliënt met diabetes type 1 over ziektebeleving en
zelfmanagement
NDF Richtlijn signalering en monitoring van depressieve klachten bij mensen met
diabetes
http://www.zorgstandaarddiabetes.nl/wp-content/uploads/2013/11/Richtlijn-Signalering-en-monitoring-
van-depressieve-klachten-DEF-261120131.pdf
Mensen met diabetes hebben twee keer zoveel kans op het krijgen van depressieve klachten.
Depressieve klachten verlagen de kwaliteit van leven en hebben negatieve gevolgen voor de
behandeling van diabetes. Het samen voorkomen van diabetes en depressieve klachten is
geassocieerd met een verminderde diabetes zelfzorg en glykemische controle. Mensen met
depressieve klachten kunnen deze zelfzorg minder goed opbrengen. Zo worden dieetadviezen
slechter opgevolgd, zijn patiënten minder therapietrouw, bewegen minder en monitoren hun glucose
minder adequaat. Deze verminderde zelfzorg is ook al van toepassing bij milde depressieve klachten.
Dat mensen met diabetes een verhoogde kans hebben op het ontwikkelen van depressieve klachten
hangt waarschijnlijk samen met een verhoogde kwetsbaarheid, zowel door psychologische als
biologische factoren. Kenmerkend voor diabetes is de noodzaak tot dagelijkse en levenslange
intensieve zelfzorg. Het hebben van diabetesgerelateerde complicaties kan bijdragen aan een grotere
zorglast wat mensen vatbaarder maakt voor het ontwikkelen van depressieve klachten.
Depressieve klachten worden vaak niet of pas laat herkend door zorgverleners en als gevolg daarvan
ook niet of te laat behandeld. Zorgverleners zijn vaak binnen de beperkte tijd die zij hebben, primair
gericht op de medisch-technische aspecten van diabetes. Depressieve klachten worden niet benoemd
of onterecht bestempeld als klachten die horen bij het hebben van een chronische ziekte. Daarnaast
zijn zorgverleners vaak onvoldoende getraind in het herkennen van risicofactoren en depressieve
klachten. Patiënten zijn ook niet altijd geneigd om hun klachten uit zichzelf te presenteren tijdens het
diabetes spreekuur en vinden dit bijvoorbeeld ongepast, of zijn bang dat dit ten koste gaat van de zorg
en aandacht voor hun diabetes. Daarnaast kan er sprake zijn van schaamte om te spreken over
emotionele problemen en wordt dit als persoonlijke zwakte ervaren.
Depressieve klachten
De eerste essentiële stap bij een succesvolle behandeling van depressieve klachten bij mensen met
diabetes is de herkenning van de klachten. Er worden verschillende niveaus van ernst van depressie
onderscheiden. Er kan sprake zijn van milde of ernstige depressie. Kernsymptomen van een
depressie zijn:
- Een aanhoudende sombere stemming
- Verlies van interesse of plezier
Andere symptomen, die meestal in combinatie met de kernsymptomen voorkomen zijn:
- Slaapproblemen
- Rusteloos zijn of juist te rustig
- Gedachten aan de dood of zelfdoding
- Verandering van eetlust of gewicht, verlies van energie en gevoelens van waardering
Een volwaardige diagnose depressie kenmerkt zich doordat een of beide van de kernsymptomen
aanwezig zijn aangevuld met de overige kenmerkende symptomen. Deze symptomen dienen
tenminste twee weken aan te houden, bijna elke dag en gedurende het grootste gedeelte van de dag,
1
,volgens de DSM V. De minderheid van de mensen met diabetes heeft een volwaardige (ernstige)
depressie, in de meeste gevallen gaat het om depressieve klachten. Er kan een onderscheid worden
gemaakt naar de ernst van de depressieve klachten: lichte depressieve klachten, matige depressieve
klachten en ernstige depressieve klachten. In alle drie de gevallen is extra aandacht voor het
psychisch welzijn gerechtvaardigd en dienen behandelmogelijkheden te worden overwogen.
Risicogroepen
Sommige diabetespatiënten lopen meer risico op het ontwikkelen van depressieve klachten. Voor
deze mensen geldt dat extra alertheid op depressie gewenst is. Extra alertheid is geboden bij:
- Patiënten met een geschiedenis van (herhaalde) depressieve episoden en behandeling
- Patiënten die momenteel onder behandeling zijn voor depressie
- Recent gediagnosticeerde diabetespatiënten
- Patiënten met een langdurig slecht gereguleerde diabetes en/of manifeste complicaties
- Type 2 diabetespatiënten die overstappen naar insulinetherapie
- Patiënten die te maken hebben met ingrijpende (levens)gebeurtenissen.
Tevens is alertheid geboden bij algemene risicofactoren zoals individuele karakteristieken en
omgevingsfactoren
- Meer complicaties geeft meer kans op depressie
- Meer comorbiditeiten geeft meer kans op depressie
- Behandeling met insuline geeft een hogere kans op depressie
- Slechte glykemische instelling geeft meer kans op depressie
Signaleringsinstrumenten
- De CES-D bestaat uit 20 stellingen. Voor iedere stelling geeft de patiënt aan hoe vaak deze
op hem of haar van toepassing is. De soms van de scores geeft een totaalscore die ligt tussen
de 0-60. Hoe hoger de score, hoe meer gevoelens van depressieve klachten. Net als voor de
algehele populatie geldt dat bij diabetespatiënten met een score van 16 of hoger er
aanwijzingen zijn voor depressieve klachten.
- De PHQ-9 vragenlijst bestaat uit 9 vragen over de ernst van depressieve klachten aan de
hand van de DSM IV criteria waarbij maximaal 27 punten gescoord wordt. Hoe hoger de
score, hoe groter de aanwijzingen voor depressieve klachten. Een score van 10 of hoger
wordt gezien als een sterke aanwijzing voor depressieve klachten.
- De WHO-5 vragenlijst bestaat uit 5 vragen over het welbevinden. Hoe hoger de score, hoe
kleiner de aanwijzingen voor een sombere stemming of depressieve klachten.
Een score van < 50 (of <13) geeft een sombere stemming of depressieve klachten aan.
- De PAID bestaat uit 20 vragen waarop maximaal 80 punten gescoord wordt. Hoe hoger de
score, hoe groter de ervaren zorgen en spanningen ten opzichte van diabetes. Er is ook een
verkorte PAID beschikbaar bestaande uit 5 items. Een score van 40 of hoger geeft
aanwijzingen voor ernstige diabetes gerelateerde distress.
Voor het monitoren van welbevinden is met name de WHO-5 een geschikte lijst. Deze is kort en
positief gesteld, met geode screeningseigenschappen voor depressieve klachten. Als alternatieven
kunnen de CES-D en PHQ-9 ingezet worden. Bij verdenking op depressieve klachten (case-finding)
wordt aanbevolen gebruik te maken van PHQ-9 of CES-D. beide vragenlijsten zijn specifiek gericht op
depressieve stemming, met goede screeningseigenschappen, eenduidige cut-off scores en
eenvoudige interpretatie met indicatie voor verder beleid.
Therapietrouw
https://study.han.nl/sites/bVED-VT/OWE/H1/1718HF1/1718HF1S2/DIB1/Documenten%20Mens/
Sociale%20wetenschappen/Smets%20Therapietrouw.pdf
Hoe goed medische adviezen ook kunnen zijn, patiënten voeren ze niet altijd uit. Ze vergeten hun
medicijnen, vergissen zich in de dosering of toedieningswijze, of besluiten op eigen initiatief te
minderen of te stoppen. Er is dan sprake van gebrek aan therapietrouw.
Therapietrouw wordt meestal omschreven als de mate waarin het gedrag van de patiënt overeenkomt
met het medische of gezondheidsadvies dat is gegeven. Gebrek aan therapietrouw beperkt zich niet
tot medicijngebruik. Patiënten komen ook lang niet altijd afspraken na over veranderingen in gedrag,
bijvoorbeeld ten aanzien van eetgewoonten, over vervolgconsulten of verwijzing. Het niet opvolgen
van een advies kan opzettelijk of onopzettelijk zijn.
2
, Samenwerkingsrelatie
De oorzaak van lage therapietrouw wordt niet uitsluitend bij de patiënt gezocht. Medische adviezen
kunnen immers ook in strijd zijn met andere belangen van de patiënt, zoals het advies om meer te
sporten strijdig kan zijn met de behoefte van de patiënt om meer tijd met het gezin door te brengen.
Therapieontrouw is overigens niet voorbehouden aan patiënten. Ook artsen blijken geregeld af te
wijken van behandelrichtlijnen. In feite wordt therapietrouw nu in toenemende mate gezien als
onderdeel van zelfmanagement. De essentie van zelfmanagement is dat de patiënt zelf bepaalt welk
behandeldoel te willen bereiken en op welke manier. De patiënt staat aan het roer, de arts is daarin
ondersteunend. Voorwaarden voor zelfmanagement zijn dat de patiënt inzicht heeft in de
besluitvorming en daar ook een stem in heeft, inzicht heeft in het karakteristieke verloop van de ziekte,
in staat is zelf oplossingen te zoeken en vertrouwen heeft in eigen kunnen. De arts dient een zodanige
relatie met de patiënt op te bouwen, dat zij in gezamenlijk overleg overeenstemming kunnen bereiken
over de aard en de behandeling van de ziekte. Ook dient de arts de patiënt van goede informatie te
voorzien. We spreken tegenwoordig van compliantie om aan te geven in welke mate de patiënt het
eenzijdig door de zorgverlener gegeven advies opvolgt. Met adherence wordt verwezen naar de mate
waarin het gedrag van de patiënt correspondeert met het door de zorgverlener gegeven advies
waarmee de patiënt heeft ingestemd. Concordantie verwijst naar het proces waarmee de
zorgverlener en patiënt overeenstemming bereiken over het gewenste gezondheidsgedrag.
Een goede samenwerkingsrelatie tussen arts en patiënt, zogenoemde collaborative care is dus een
vereiste voor therapietrouw.
Een goede samenwerkingsrelatie is nog geen garantie voor therapietrouw.
Er zijn nog meer factoren van invloed op de therapietrouw.
Kenmerken van de ziekte en behandeling
De aard van de ziekte en van de behandeling beïnvloeden de therapietrouw. Hoe minder patiënten
van een aandoening merken, des te geringer de therapietrouw. Therapietrouw neemt ook af naarmate
er meer geneesmiddelen tegelijk zijn voorgeschreven, de dosering complexer is, een behandeling,
medicatieregime of gedragsverandering lastiger in een dagelijkse routine is in te passen of de
gevolgen en bijwerkingen van behandeling vervelender zijn. Ook naarmate de behandeling langer
duurt, is ze moelijker vol te houden.
Patiëntkenmerken
Motivatie
Patiënten verwerken alles op hun eigen manier, een manier die past bij hun manier van denken en
leven. Hun gedrag is te beschouwen als de uitkomst van een persoonlijk zoek- en beslissingsproces,
een eigen afweging van positieve en negatieve gevolgen en welk doel men nastreeft. Afhankelijk
daarvan zijn zij al dan niet gemotiveerd om zich aan de aanbevelingen van hun arts te houden.
Motivatie blijkt een goede voorspeller van gezond gedrag.
Cognities
De meeste mensen hebben een eigen theorie, eigen opvattingen (cognities) over de aandoening
waarvoor ze zich bij de hulpverlener melden. Dergelijke persoonlijke opvattingen dragen bij aan de
motivatie van de patiënt om zich gezond te gedragen, en dus ook aan diens therapietrouw.
Opvattingen over medicatie zijn meestal terug te voeren tot een drietal thema’s:
1. De veronderstelde noodzaak van medicatie voor de huidige of toekomstige gezondheid
2. Zorgen over mogelijke nadelige gevolgen van het medicatiegebruik (verslaving, bijwerking of
tolerantie)
3. Opvattingen over hoe artsen met medicatie omgaan (te veel vertrouwen in medicijnen)
De noodzaak wordt in belangrijke mate bepaald door de zogenoemde uitkomstverwachting: de
verwachting die de patiënt heeft over de kans dat het medicijn of het opvolgen van leefstijladviezen
daadwerkelijk zal helpen om de klachten te verminderen. De balans tussen de veronderstelde
noodzaak van en de zorgen over de medicatie blijkt een goede voorspeller van therapietrouw. Indien
de zorgen zwaarder wegen dan de noodzaak, zijn patiënten minder geneigd zich aan de voorschriften
te houden. Het omgekeerde geldt ook: hoe groter de noodzaak ten opzichte van de zorgen, hoe meer
therapietrouw.
3