Week 1:
Kernbegrippen: Teleological Accounts of Media, Genealogical Theory of History, Discursive
Construction of Media, Technological Imaginary, Technological Determinism, Physicalism, Social
Constructivism, Humanism
Pagina 1 t/m 7 en 44 t/m 104 (vanaf kopje 1.6.2)
Begrippen week 1:
Teleological Accounts of Media: de theorie dat bepaalde technologische ontwikkelingen een
einddoel hebben, elke stap in de nieuwe media is een verbetering op de oude, bestaande media. De
geschiedenis van een ‘primitief’ medium wordt gezien als voorbereiding op de toekomst.
Genealogical Theory of History: deze theorie zoekt geen start- of eindpunt op van technologische
geschiedenis op, maar presenteert en observeert de geschiedenis als een web van relaties tussen
verschillende waarheden, instituties en praktijken. Geen sequenties die elkaar opvolgen maar een
web. Geen oorzaak-gevolg (causaal).
Discursive Construction of Media: ook al zijn er patronen die zich herhalen bij de ontwikkeling van
nieuwe media,
Onderzoekers spreken over terugkerende en herhalende patronen, maar de ontwikkeling van nieuwe
media heeft in verschillende historische of sociale context een andere betekenis.
Technological Imaginary: de wijze waarop een nieuw mediafenomeen tot stand komt gaat samen
met sociale en psychologische hoop en verlangens om het betere creëren, maar tegelijkertijd brengt
dit de angst voor het nieuwe (onbekende) met zich mee. Deze verlangens en angsten worden
geprojecteerd op nieuwe mediaproducten.
Technological Determinism: het idee dat technologieën een expliciet determinerende rol spelen in
ons doen en laten en grote culturele veranderingen tot stand brengt. Er wordt gekeken naar wat de
materialiteit van een medium met onze perceptie doet. Dit maakt een medium als belangrijkste vormer
van de onbewuste omgeving.
Physicalism: het idee dat het medium de menselijke zintuigen kan verlengen en bevorderen.
Social Constructivism: onderzoekt hoe complexe sociale, culturele, politieke en economische
factoren de media vormen, waarbij niet alleen wordt gefocust op alleen machinerie (de technologie),
maar ook de productie en distributie door menselijke invloed. Technologieën zelf zijn niet bepalend
voor de culturele en sociale impact van een medium.
Humanism: Westers ideologie waarbij de nadruk ligt op de rationele menselijke gedachtegang, in
plaats van op God. Individuen hebben agency (mogelijkheid tot zelfontplooiing, macht en
verantwoordelijkheid) over hun eigen sociale en technologische creaties door middel van rationeel
nadenken.