Het bestuursrecht heft betrekking op het openbaar bestuur, op dat wat het openbaar bestuur
doet en op zijn relatie tot de burgers.
De hoofdzaken van het bestuursrecht zijn:
- Organisatie;
- Bevoegdheden;
- Normering;
- Handhaving;
- Rechtsbescherming.
Bestuursrecht is op te delen in bijzondere en algemene delen (Awb).
Het bestuursrecht heeft twee uitgangspunten:
1. Het legaliteitsvereiste
De bestuursbevoegdheid moet berusten op een wet.
2. Het specialiteitsvereiste
Het openbaar bestuur mag bij het gebruik van een bevoegdheid slechts het
belang behartigen waarvoor deze regeling is vastgesteld.
Er zijn normen die bedoeld zijn voor overheidsinstanties. Deze hebben overheidsinstanties
als geadresseerde (normadressaten).
De hiërarchische opbouw van het normenstelsel:
1. Verdragen;
2. Statuten;
3. Grondwet;
4. Wetten in formele zin;
5. Wetten in materiële zin;
6. Ministeriële regelingen;
7. Provinciale verordeningen;
8. Gemeentelijke verordening;
9. Beleidsregels.
Het normstelsel is verticaal geleed: het is vertakt in meerdere onderdelen. Er is sprake van
een horizontaal geleed normstelsel wanneer meerdere wetten tegelijk van belang zijn.
De Awb heeft een opbouw die gaat van algemeen naar bijzonder. Bijzonder gaat voor
algemeen.
Bij dwingend recht mag je niet afwijken naar een lagere wetgeving.
Bij regelend recht wordt de hoofdregel als wenselijk beschouwd, maar afwijking wordt
toegestaan.
Bij aanvullend recht gaat de bepaling van de Awb in, als er in andere wetgeving niets over
staat.
Bij facultief recht geldt een bepaling alleen wanneer dit uitdrukkelijk is bepaald.
Een besluit (art. 1:3 lid 1 Awb) is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Vereisten:
- Beslissing;
- Schriftelijk;
- Bestuursorgaan (in de zin van art. 1:1 Awb);
- Rechtshandeling;
- Publiekrechtelijk.
, Het openbaar bestuur maakt deel uit van de overheid, samen met de wetgevende en
rechtsprekende macht.
Aan de organen van openbaar bestuur zijn publiekrechtelijke bevoegdheden toebedeeld.
Een openbaar lichaam heeft een algemene bestuurstaak ten aanzien van een bepaald
gebied. Zij worden door de wet ingesteld en de wet regelt ook hun taken en bevoegdheden.
De staat, provincies en gemeenten zijn openbare lichamen. Er zijn ook openbare lichamen
met een specifieke taak, zoals de Nederlandse Orde van Advocaten.
Een belangrijk onderdeel van openbare lichamen zijn de ambten/bestuursorganen.
Provincie:
- Provinciale staten;
- Gedeputeerde staten;
- Commissaris van de Koning.
Gemeente:
- Gemeenteraad;
- College van B&W;
- Burgemeester.
Art. 2:1 BW kent rechtsbevoegdheid toe aan de openbare lichamen en andere lichamen
waaraan de grondwet verordende bevoegdheid toekent. Hier spreken we van
publiekrechtelijke rechtspersonen.
Een A-orgaan is altijd een bestuursorgaan. Deze organen behoren tot een krachtens
publiekrecht ingestelde rechtspersoon.
Een B-orgaan is een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed. Dit
betekend dat een persoon of college van een wetgever een bestuursrechtelijke bevoegdheid
heeft gekregen.
Uitzonderingen op deze organen staan in artikel 1:1 lid 2 Awb.
Publiekrechtelijke bevoegdheden komen aan een ambt toe, maar worden uitgeoefend door
natuurlijke personen. Natuurlijke personen dragen het ambt: zij zijn ambtsdrager. Het werk
voor uitoefening van de bevoegdheden wordt gedaan door ambtenaren. Dit zijn personen die
zijn aangesteld om in de openbare dienst werkzaam te zijn (art. 1 Aw).
Er zijn meerdere soorten besluiten.
Een beschikking is een besluit dat niet van algemene strekking is (art. 1:3 lid 2 Awb). Het is
een besluit voor een individueel of concreet geval. Is een besluit wel van algemene
strekking, dan is dat een BAS.
Begunstigende beschikkingen verlenen rechten, belastende beschikkingen leggen plichten
op.
Bij vrije beschikkingen laat de wet enige beslissingsruimte over. Bij een gebonden
beschikking bepaalt de wet volledig wat het orgaan moet doen.
Aflopende beschikkingen werken voor een beperkte periode, daartegenover staan duurzame
beschikkingen.
Voorschriften aan een beschikking binden degene tot wie de beschikking is gericht. Onder
voorwaarden worden opschortende en ontbindende voorwaarden bedoeld waaronder een
beschikking wordt gegeven. Beperking wordt gebruikt voor begrenzing naar tijd of plaats.