Richtlijn Lage Rugpijn
Jaar 2 kwartaal 3
Studiejaar 2017/2018
Samenvatting Praktijkrichtlijn Lage Rugpijn
Domenica Krens
Lage rugpijn wordt doorgaans ingedeeld in specifieke en aspecifieke lage rugpijn. In deze richtlijn
verwijst de term lage rugpijn naar ‘aspecifieke lage rugpijn’.
- Aspecifieke lage rugpijn: rugpijn waarvoor geen aanwijsbare specifieke oorzaak voor de
klachten te vinden is. 90% van alle patiënten heeft dit. Deze mensen hebben pijn in de
lumbosacrale regio op de voorgrond, uitstraling in de bil en het bovenbeen. Deze pijn kan
verergeren door bepaalde bewegingen, houdingen en het tillen of verplaatsen van lasten. De
pijn kan continu of in episodes aanwezig zijn.
- Specifieke lage rugpijn:
o Lumbosacraal radiculair syndroom: lage rugpijn met radiculair pijn in 1 been, die al
dan niet gepaard gaat met neurologische uitvalsverschijnselen
o Rugpijn als gevolg van een mogelijk ernstige onderliggende specifieke aandoening:
bijvoorbeeld wervelfracturen.
Acute lage rugpijn gaat vaak vanzelf over, hoewel de kans aanwezig is op restklachten of recidieven.
Bij een kleine groep houden de klachten echter aan, wat kan leiden tot langdurig werkverzuim en
geringe kans op volledig herstel.
Normaal beloop van lage rugpijn:
Er is sprake van een ‘normaal beloop’ wanneer de activiteiten en participatie in de tijd gradueel
toenemen (tot het niveau van voor de klachtenepisode). Vaak zal ook de pijn verminderen. Dit houdt
niet in dat de lage rugpijn altijd geheel verdwijnt, maar dat de lage rugpijn het uitvoeren van
activiteiten en participatie niet (meer) in de weg staat.
Afwijkend beloop van lage rugpijn:
Er is sprake van een ‘afwijkend beloop’ als de beperkingen en participatieproblemen in de tijd niet
afnemen, maar gelijk blijven of zelfs toenemen. We spreken van een afwijkend beloop en een
vertraagd herstel als er gedurende 3 weken geen duidelijk toename in activiteiten en afname in
participatieproblemen is geweest.
1
Jaar 2 kwartaal 3
Studiejaar 2017/2018
Samenvatting Praktijkrichtlijn Lage Rugpijn
Domenica Krens
Lage rugpijn wordt doorgaans ingedeeld in specifieke en aspecifieke lage rugpijn. In deze richtlijn
verwijst de term lage rugpijn naar ‘aspecifieke lage rugpijn’.
- Aspecifieke lage rugpijn: rugpijn waarvoor geen aanwijsbare specifieke oorzaak voor de
klachten te vinden is. 90% van alle patiënten heeft dit. Deze mensen hebben pijn in de
lumbosacrale regio op de voorgrond, uitstraling in de bil en het bovenbeen. Deze pijn kan
verergeren door bepaalde bewegingen, houdingen en het tillen of verplaatsen van lasten. De
pijn kan continu of in episodes aanwezig zijn.
- Specifieke lage rugpijn:
o Lumbosacraal radiculair syndroom: lage rugpijn met radiculair pijn in 1 been, die al
dan niet gepaard gaat met neurologische uitvalsverschijnselen
o Rugpijn als gevolg van een mogelijk ernstige onderliggende specifieke aandoening:
bijvoorbeeld wervelfracturen.
Acute lage rugpijn gaat vaak vanzelf over, hoewel de kans aanwezig is op restklachten of recidieven.
Bij een kleine groep houden de klachten echter aan, wat kan leiden tot langdurig werkverzuim en
geringe kans op volledig herstel.
Normaal beloop van lage rugpijn:
Er is sprake van een ‘normaal beloop’ wanneer de activiteiten en participatie in de tijd gradueel
toenemen (tot het niveau van voor de klachtenepisode). Vaak zal ook de pijn verminderen. Dit houdt
niet in dat de lage rugpijn altijd geheel verdwijnt, maar dat de lage rugpijn het uitvoeren van
activiteiten en participatie niet (meer) in de weg staat.
Afwijkend beloop van lage rugpijn:
Er is sprake van een ‘afwijkend beloop’ als de beperkingen en participatieproblemen in de tijd niet
afnemen, maar gelijk blijven of zelfs toenemen. We spreken van een afwijkend beloop en een
vertraagd herstel als er gedurende 3 weken geen duidelijk toename in activiteiten en afname in
participatieproblemen is geweest.
1