Hoorcolleges sociologie
Horcoleg 1:
Inleid ing in d esoci ol ogi e
Wat is sociologie? (1)
⁃ Wetenschap van de maatschappij (of van de samenleving)
⁃ Wetenschap van de menselijke groep
⁃ Studie van sociale netwerken (sociale verbanden)
Iedereen pakt gelijk telefoon, of zit al aan elkaar geplakt en laat elkaar niet meer gaan —> bang
om alleen te zijn. Sociologen observeren deze mensen
⁃ Wetenschap van de manieren waarop mensen met elkaar samenleven <— belangrijk!
Dagelijks leven —> te vergelijken met expeditie Robinson. Zij worden op een eiland neergezet
en moeten zelf eten verdelen. Hetzelfde in het groot maar dan voor de wereld.
Wat is sociologie? (2)
Drie vragen
⁃ Wie hoort bij wie?
⁃ Wie is de baas van wie?
⁃ Wie doet wat en wie krijgt wat?
Wat is sociologie? (3)
Sociologisch verklaren:
Voorbeeld;
⁃ Echtscheidingen —> vroeger veel groter taboe. Oorzaken: emancipatie, vroeger was het
abnormaal om te scheiden, je werd uitgestoten
⁃ Zelfmoord —> ene samenleving ligt het aantal veel hoger dan in de andere samenleving.
Samenleving heel hecht of juist totaal niet —> veel zelfmoord. Gemiddelde hechting in de
samenleving —> minder zelfmoord
⁃ 1 + 1 = 3 (Durkheim)
⁃ De samenhang zien: voetbalveld
Kijkend naar 1 persoon; ziet er heel vreemd uit. Je moet ze allemaal zien en het spel begrijpen.
Zo kijkt een socioloog er ook naar —> naar meerdere aspecten.
Alles heeft invloed op alles
Ander probleem van sociologen: het Thomas theorema
⁃ Als mensen denken dat iets waar is, hoeft dat zeker niet waar te zijn.
Politie op straat; wij gaan denken dat er van alles aan de hand is
⁃ Een persoon vertelt aan de anderen dat iemand niet aardig is; dan gaat die persoon zich
ook anders gedragen. Als mensen denken dat iets waar is, wordt het ook waar.
, ‘Hoe rijker het land is, hoe lager de sociale problematiek is’. —> dat hoeft totaal niet zo te zijn:
Amerika
3 Kernbegrippen van de sociologie;
1. Interactie
“Het reageren op elkaar zodat het handelen van de 1 directe aanleiding is voor het handelen
van de ander”
Weber: sociaal handelen
Make up opdoen —> al bezig zijn met de interacties die je op straat hebt
Deur op slot doen voor de wc —> al bezig zijn met de toekomst; voor het geval als iemand de
deur opendoet
Beheersbaarheid van interacties: Normen
2. Cultuur
Alle regeltjes wie we voor elkaar verzonnen hebben en bij elkaar hebben gegooid; cultuur
Socialisatie; internalisering —> iedereen vertelt constant door aan elkaar wat mag en wat niet
mag
Natuur vs cultuur (nature vs nurture); Max Verstappen —> is het aangeboren (nature) of
aangeleerd (nurture)
3. Interdependentie
Iedereen is afhankelijk van elkaar → onderlinge afhankelijk, Onontkoombaar
Onoverzichtelijk en complex
Asymmetrische verhouding: macht
4 bindingen (4 manieren van afhankelijkheid)
1. Economisch. 3. Affectief
2. Politiek 4. Cognitief
Horcoleg 2
Bour d ieu & m
er itocr ati e
Meritocratie: maatschappelijke positie hangt af van talent en inzet, plek in de samenleving
verworven niet toegewezen.
Stratificatie:
- Dat er sociale lagen in een samenleving komen
Voorbeeld → docenten, professors, zwervers.
→ India voorbeeld waar stratificatie heel sterk is, vanaf geboorte staat vast in welke rang
je staat, dit kan ook niet veranderen.
Horcoleg 1:
Inleid ing in d esoci ol ogi e
Wat is sociologie? (1)
⁃ Wetenschap van de maatschappij (of van de samenleving)
⁃ Wetenschap van de menselijke groep
⁃ Studie van sociale netwerken (sociale verbanden)
Iedereen pakt gelijk telefoon, of zit al aan elkaar geplakt en laat elkaar niet meer gaan —> bang
om alleen te zijn. Sociologen observeren deze mensen
⁃ Wetenschap van de manieren waarop mensen met elkaar samenleven <— belangrijk!
Dagelijks leven —> te vergelijken met expeditie Robinson. Zij worden op een eiland neergezet
en moeten zelf eten verdelen. Hetzelfde in het groot maar dan voor de wereld.
Wat is sociologie? (2)
Drie vragen
⁃ Wie hoort bij wie?
⁃ Wie is de baas van wie?
⁃ Wie doet wat en wie krijgt wat?
Wat is sociologie? (3)
Sociologisch verklaren:
Voorbeeld;
⁃ Echtscheidingen —> vroeger veel groter taboe. Oorzaken: emancipatie, vroeger was het
abnormaal om te scheiden, je werd uitgestoten
⁃ Zelfmoord —> ene samenleving ligt het aantal veel hoger dan in de andere samenleving.
Samenleving heel hecht of juist totaal niet —> veel zelfmoord. Gemiddelde hechting in de
samenleving —> minder zelfmoord
⁃ 1 + 1 = 3 (Durkheim)
⁃ De samenhang zien: voetbalveld
Kijkend naar 1 persoon; ziet er heel vreemd uit. Je moet ze allemaal zien en het spel begrijpen.
Zo kijkt een socioloog er ook naar —> naar meerdere aspecten.
Alles heeft invloed op alles
Ander probleem van sociologen: het Thomas theorema
⁃ Als mensen denken dat iets waar is, hoeft dat zeker niet waar te zijn.
Politie op straat; wij gaan denken dat er van alles aan de hand is
⁃ Een persoon vertelt aan de anderen dat iemand niet aardig is; dan gaat die persoon zich
ook anders gedragen. Als mensen denken dat iets waar is, wordt het ook waar.
, ‘Hoe rijker het land is, hoe lager de sociale problematiek is’. —> dat hoeft totaal niet zo te zijn:
Amerika
3 Kernbegrippen van de sociologie;
1. Interactie
“Het reageren op elkaar zodat het handelen van de 1 directe aanleiding is voor het handelen
van de ander”
Weber: sociaal handelen
Make up opdoen —> al bezig zijn met de interacties die je op straat hebt
Deur op slot doen voor de wc —> al bezig zijn met de toekomst; voor het geval als iemand de
deur opendoet
Beheersbaarheid van interacties: Normen
2. Cultuur
Alle regeltjes wie we voor elkaar verzonnen hebben en bij elkaar hebben gegooid; cultuur
Socialisatie; internalisering —> iedereen vertelt constant door aan elkaar wat mag en wat niet
mag
Natuur vs cultuur (nature vs nurture); Max Verstappen —> is het aangeboren (nature) of
aangeleerd (nurture)
3. Interdependentie
Iedereen is afhankelijk van elkaar → onderlinge afhankelijk, Onontkoombaar
Onoverzichtelijk en complex
Asymmetrische verhouding: macht
4 bindingen (4 manieren van afhankelijkheid)
1. Economisch. 3. Affectief
2. Politiek 4. Cognitief
Horcoleg 2
Bour d ieu & m
er itocr ati e
Meritocratie: maatschappelijke positie hangt af van talent en inzet, plek in de samenleving
verworven niet toegewezen.
Stratificatie:
- Dat er sociale lagen in een samenleving komen
Voorbeeld → docenten, professors, zwervers.
→ India voorbeeld waar stratificatie heel sterk is, vanaf geboorte staat vast in welke rang
je staat, dit kan ook niet veranderen.