Hoofdstuk 11: Aardrevolutie
= De aarde die rond de zon draait in 1 jaar
De dagboog ondergaat 3 verandefringen:
De culminatiehoogte verschilt
De plaats van zonsopgang en zonsondergang is anders
De lengte van de dagboog is elke keer anders
Dagbogen op verschillende plaatsen:
1. Noordpool (90°N):
- 21/22 december:
Poolnacht (= De dagboog blijft onder de horizon)
- 21 maart en 23 september:
De dagboog is gelijk met het horizon, dag en nacht zonsondergang
(en opkomst)
- 21 juni:
Middernachtszon (= De dagboog blijft boven de horizon)
2. Kreeftskeerkring (66,5°N):
- 21/22 december:
Hoogste culminatiehoogte
- 21 maart en 23 september:
Niks speciaals (hetzelfde als bij ons)
- 21 juni:
Zenitale zonnestand (= loodrechte inval van de zon op die plaats van
de aarde)
3. Evenaar (0°N):
- 21/22 december:
Culminatiehoogte is in het zuiden
- 21 maart en 23 september:
Zenitale zonnestand (= loodrechte inval van de zon op die plaats van
de aarde)
- 21 juni:
Culminatiehoogte is in het noorden
Kenmerken van de aardrevolutie:
1. Ellipsvormige baan rond de zon
- Perihelium: Dichtst bij de zon
- Aphelium: Verst van de zon
Dit heeft geen invloed op de seizoenen, dit kunnen we aantonen
doordat in de zomer (21 juni) we het verst weg staan van de zon.
2. Één aardrevolutie is ongeveer 365 dagen
- Juliaanse kalender:
Elk jaar een fout van 11 minuten en 14 seconden
- Gregoriaanse kalender: (GEBRUIKEN WIJ)
Elk jaar een fout van 2 seconden
, 3. Een aardrevolutie met een schuine aardas
- De aardas staat schuin op het vlak waarin de aarde rond de zon draait. De
aardas maakt een hoek van 66°33’ met het eclipticavlak.
4. De aardas blijft evenwijdig met zichzelf
- Wie heeft wanneer het meeste zonlicht?
o 22 december: zuidelijk halfrond
o 21 maart en 23 september: beiden even veel
o 21 juni: noordelijk halfrond
BESLUIT:
1) Welk halfrond het meeste zonlicht krijgt bepaalt de seizoenen.
2) Seizoenen noordelijk halfrond is tegenovergestelde van zuidelijk halfrond.
3) Op 21 maart en 23 september kennen we een lentenachtevening of een
herfstnachtevening.
De seizoenen:
= De aarde die rond de zon draait in 1 jaar
De dagboog ondergaat 3 verandefringen:
De culminatiehoogte verschilt
De plaats van zonsopgang en zonsondergang is anders
De lengte van de dagboog is elke keer anders
Dagbogen op verschillende plaatsen:
1. Noordpool (90°N):
- 21/22 december:
Poolnacht (= De dagboog blijft onder de horizon)
- 21 maart en 23 september:
De dagboog is gelijk met het horizon, dag en nacht zonsondergang
(en opkomst)
- 21 juni:
Middernachtszon (= De dagboog blijft boven de horizon)
2. Kreeftskeerkring (66,5°N):
- 21/22 december:
Hoogste culminatiehoogte
- 21 maart en 23 september:
Niks speciaals (hetzelfde als bij ons)
- 21 juni:
Zenitale zonnestand (= loodrechte inval van de zon op die plaats van
de aarde)
3. Evenaar (0°N):
- 21/22 december:
Culminatiehoogte is in het zuiden
- 21 maart en 23 september:
Zenitale zonnestand (= loodrechte inval van de zon op die plaats van
de aarde)
- 21 juni:
Culminatiehoogte is in het noorden
Kenmerken van de aardrevolutie:
1. Ellipsvormige baan rond de zon
- Perihelium: Dichtst bij de zon
- Aphelium: Verst van de zon
Dit heeft geen invloed op de seizoenen, dit kunnen we aantonen
doordat in de zomer (21 juni) we het verst weg staan van de zon.
2. Één aardrevolutie is ongeveer 365 dagen
- Juliaanse kalender:
Elk jaar een fout van 11 minuten en 14 seconden
- Gregoriaanse kalender: (GEBRUIKEN WIJ)
Elk jaar een fout van 2 seconden
, 3. Een aardrevolutie met een schuine aardas
- De aardas staat schuin op het vlak waarin de aarde rond de zon draait. De
aardas maakt een hoek van 66°33’ met het eclipticavlak.
4. De aardas blijft evenwijdig met zichzelf
- Wie heeft wanneer het meeste zonlicht?
o 22 december: zuidelijk halfrond
o 21 maart en 23 september: beiden even veel
o 21 juni: noordelijk halfrond
BESLUIT:
1) Welk halfrond het meeste zonlicht krijgt bepaalt de seizoenen.
2) Seizoenen noordelijk halfrond is tegenovergestelde van zuidelijk halfrond.
3) Op 21 maart en 23 september kennen we een lentenachtevening of een
herfstnachtevening.
De seizoenen: