College: 1 Extra orale kenmerken classificeren 01-02-2018
Tentamen: 60 driekeuze vragen.
Pt van 9jr zit in de rustfase.
* Hoe beoordelen:
- Extra- oraal
o Kan stiekem al beginnen als de pt binnen gehaald wordt.
- Intra- oraal
o Bij de controle v/h gebit, mondhygiëne valt je het een en ader op.
o Wordt je 1e indruk bevestigd.
Bij een vermoeden van een afwijkende ontwikkeling altijd eerst overleggen met/of terug verwijzen naar
de verwijzer.
• Een pt van 14jr met diastemen wordt niet meer hersteld door de groei van de kaak.
o Diastemen zijn niet normaal.
➢ TERMINOLOGIE:
● Verticaal = van boven naar beneden.
● Saggitaal = voor- naar achter.
● Transversaal = van links naar rechts.
1. Transversale / horizontale vlak
2. Sagittale vlak
3. Mediane vlak
4. Frontale vlak
A. Superior / craniaal
B. Inferior / caudaal
C. Anterior / ventraal
D. Posterior / dorsaal
E. Lateraal
F. Mediaal
1
,* 1e profiel wordt geanalyseerd op deze 7 punten:
1. Relatie
2. Opbouw v/h gelaat
3. Asymmetrieen
4. Mediaanlijn verschuiving boven front t.o.v. mediaan
5. Lachlijn / zichtbare gingiva
6. Lipsluiting / liprelatie
7. Mentalisgewoonte
Dat je de lipspant bij sluiten. Er ontstaan putjes in de kin. Er kan druk ontstaan op de tanden en deze
kunnen naar linguaal verplaatsen.
1. ● Sagittale kaakrelatie = voor – achter beoordelen op de profielfoto.
- Hoe staat de OK t.o.v. de BK.
- Hierbij wordt de sagittale positie v/h diepste punt v/d weke delen v/d OK vergeleken met het diepste
punt v/d weke delen v/d BK.
- De sagittale positie v/d OK wordt vergeleken met de positie v/d BK.
o Neutrorelatie = normaal. De onderlip licht iets achter de bovenlip.
o Distorelatie = is de kaak naar achteren.
o Mesiorelatie = is de kaak meer naar voren (centenbak).
!! Occlusie = Bij het gebit.
!! Relatie = bij de kaak.
2. !! Verticale opbouw v/h gelaat = boven - beneden beoordelen met profielfoto.
- Het onderste 1/3 deel wordt vergeleken met het gedeelte onder de neus en tussen de wenkbrauwen. En
tussen de wenkbrauwen en de haargrens.
- Je duim tussen je wenkbrauwen en je vinger bij de haargrens zetten (dit opmeten) daarna dit verplaatsen
naar tussen de wenkbrauwen (diepste punt) en net onder de neus. dit zou even groot moeten zijn.
- Normaal = alle 3 de delen zijn even groot.
- Longe face = het onderste 1/3 deel is veel groter. Afstand subnasala kinpunt is uitzonderlijk groot.
- Short face = het onderste 1/3 deel is veel kleiner. Afstand subnasala kinpunt is uitzonderlijk klein.
2
,Verticaal:
Het profiel wordt in 3 delen gedeeld.
1. Grens haarimplantaat -
2. Tussen de wenkbrauwen
2. Tussen de wenkbrauwen -
3. Overgang onderrand neusseptum en philtrum (subnasale)
3. Overgang onderrand – neusseptum en philtrum (subnasale)
4. Kinpunt.
!! TT vraag: je hebt een kaal iemand (gene haargrens) …?
Hierbij wordt de hoek vergeleken die de OK maakt met de BK met gemiddelde
waarden.
(op de laterale schedel röntgenfoto: 27 graden (+/- 4).
* Je kan ook kijken naar de hoek die de OK maakt (trekt een lijn) en vergelijken met de hoek die het maakt met de
BK.
- Als die hoek hetzelfde is normaal.
- Als de hoek kleiner is convergent.
- Als de groter wordt divergent
● Convergent = naar elkaar toe.
● Divergent = uit elkaar.
Divergent: grotere hoek Convergent kleinere hoek
3
, 3. Asymmetrieen
- De kinpunt v/d pt wijkt naar links / rechts t.o.v. de mediaan van de pt.
- Je kijkt vanuit de pt.
- symmetrische afwijkingen van het gezicht kunnen worden beoordeeld door achter de pt te gaan staan en
dan van boven en van achteren het gezicht te bekijken.
- Men dient zich te realiseren dat gelaatsasymmetrie bij iedereen voorkomt en tot op zekere hoogte als
normaal moet worden beschouwd.
de kinpunt wijst hier naar rechts.
4. Mediaanlijn verschuiving boven front t.o.v. mediaan
- Hierbij wordt het contactpunt tussen de 11 en 21 vergeleken met de mediaanlijn van het gezicht.
Mediaanlijn verschuiving (MLV) bovenfront 3mm naar rechts t.o.v. de mediaan v/d pt.
5. Lachlijn / zichtbare gingiva
- Hoeveel tandvlees toont de pt bij het lachen ter hoogte v/h bovenfront?
… mm gingiva is zichtbaar tijdens het lachten.
- = Gummy smile
6. Lipsluiting / liprelatie
- …
- ….
- Gesloten
* Liprelatie:
De onderlinge relatie tussen de onder- en bovenlip wordt met de term ‘liptrap’ beschreven.
● Neutro-liprelatie = onderlip iets naar achter of gelijk aan de bovenlip.
●Disto-liprelatie = vergrote liptrap.
- De onderlip bevindt zich relatief ver achter de bovenlip.
- Een dergelijke liprelatie wijst op een disto-/Klasse II -malocclusie.
● Mesio-liprelatie = omgekeerde liptrap.
- Wanneer de onderlip voor de bovenlip uitsteekt.
- Dit kan duiden op een mesio/Klasse III -malocclusie.
neutro disto mesio
4