Deel 2: Leesvaardigheid (na de pauze)
1. Tekstdoel/soort/type kunnen bepalen:
Het kunnen identificeren van het doel, soort en type van een tekst. Teksttypes
kunnen onder meer zijn:
Informatieve tekst: Geeft feitelijke informatie weer.
Instructieve tekst: Bevat stappen of instructies.
Opiniërende tekst: Deelt meningen en standpunten.
Narratieve tekst: Vertelt een verhaal.
Beschouwende tekst: Onderzoekt verschillende standpunten.
2. Lees- en woordenschatstrategieën:
Toepassen van strategieën voor het begrijpen van de tekst en het vergroten van de
woordenschat. Strategieën kunnen omvatten:
Vooraf lezen: Bekijk titel, ondertitel, en eventuele illustraties.
Voorspellen: Maak voorspellingen over de inhoud op basis van de titel en
eerste alinea's.
Contextuele aanwijzingen: Gebruik context om de betekenis van onbekende
woorden te begrijpen.
3. Vragen kunnen beantwoorden bij de tekst:
Het vermogen om vragen te beantwoorden die gerelateerd zijn aan de gelezen tekst.
Vragen kunnen betrekking hebben op:
Hoofdideeën: Wat is het belangrijkste punt van de tekst?
Details: Specifieke informatie in de tekst.
Inferenties: Conclusies trekken gebaseerd op informatie in de tekst.
4. Basisvragen over verhaalanalyse:
Beantwoorden van vragen over verhaalanalyse, zoals de protagonist, antagonist, tijd,
ruimte, sfeer, enz. Deze vragen kunnen betrekking hebben op:
Protagonist: Hoofdpersonage van het verhaal.
Antagonist: Tegenstander van het hoofdpersonage.
Tijd en ruimte: Wanneer en waar vindt het verhaal plaats?
Sfeer: De emotie of atmosfeer van het verhaal.
1. Tekstdoel/soort/type kunnen bepalen:
Het kunnen identificeren van het doel, soort en type van een tekst. Teksttypes
kunnen onder meer zijn:
Informatieve tekst: Geeft feitelijke informatie weer.
Instructieve tekst: Bevat stappen of instructies.
Opiniërende tekst: Deelt meningen en standpunten.
Narratieve tekst: Vertelt een verhaal.
Beschouwende tekst: Onderzoekt verschillende standpunten.
2. Lees- en woordenschatstrategieën:
Toepassen van strategieën voor het begrijpen van de tekst en het vergroten van de
woordenschat. Strategieën kunnen omvatten:
Vooraf lezen: Bekijk titel, ondertitel, en eventuele illustraties.
Voorspellen: Maak voorspellingen over de inhoud op basis van de titel en
eerste alinea's.
Contextuele aanwijzingen: Gebruik context om de betekenis van onbekende
woorden te begrijpen.
3. Vragen kunnen beantwoorden bij de tekst:
Het vermogen om vragen te beantwoorden die gerelateerd zijn aan de gelezen tekst.
Vragen kunnen betrekking hebben op:
Hoofdideeën: Wat is het belangrijkste punt van de tekst?
Details: Specifieke informatie in de tekst.
Inferenties: Conclusies trekken gebaseerd op informatie in de tekst.
4. Basisvragen over verhaalanalyse:
Beantwoorden van vragen over verhaalanalyse, zoals de protagonist, antagonist, tijd,
ruimte, sfeer, enz. Deze vragen kunnen betrekking hebben op:
Protagonist: Hoofdpersonage van het verhaal.
Antagonist: Tegenstander van het hoofdpersonage.
Tijd en ruimte: Wanneer en waar vindt het verhaal plaats?
Sfeer: De emotie of atmosfeer van het verhaal.