Les 19 Circulatie
de verschillende onderdelen van het circulatiesysteem en de bouw van het hart
beschrijven;
de fysiologie van hart en bloedvaten benoemen;
de regulatie van de hemodynamische stabiliteit beschrijven.
Circulatiesysteem en anatomie van het hart
Circulatiesysteem wordt ook wel het cardiovasculaire systeem
genoemd en bestaat uit bloed, hart en bloedvaten.
Functie van circulatiesysteem:
Aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen
Afvoer van afvalstoffen
Handhaven goede weefselperfusie
Vijf belangrijke functies van bloed:
Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen,
hormonen en afvalproducten van de stofwisseling
Stabilisering van de pH en de ionensamenstelling van de
interstitiële vloeistof in het gehele lichaam
Beperking van vloeistofverlies in het gehele lichaam
Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers
Stabilisering van de lichaamstemperatuur (d.m.v. vasoconstrictie en vasodilatatie)
Zowel de arterie als de vene hebben 3 lagen. Van binnen naar
buiten:
1) Tunica interna, bestaat uit endotheel met
basaalmembranen. Met onderliggende
bindweefsellaag met elastische vezels
2) Tunica media, bestaat uit gladde spiervezels met los
bindweefsel
- Zorgt door de gladde spiervezels dat een arterie
of een vene contraheren of ontspannen
(vasodilatatie of vasoconstrictie)
3) Tunica externa, bestaat uit bindweefsel dat het
bloedvat omgeeft
In de capillairen vindt de gaswisseling plaats
tussen het bloed en organen/weefsels.
Het zuurstofarme bloed keert terug via venule
naar de grotere aders terug naar de
rechterkant van het hart.
Vene bestaan uit kleppen die kunnen openen
en sluiten, om te voorkomen dat het bloed
terugstroomt.
Anatomie hart
, Het bloed stroomt van het rechteratrium tricuspidalisklep rechterventrikel pulmonalisklep
arteria pulmonalis longen
Vanuit de longen linkeratrium via vena pulmonalis mitralisklep linkerventrikel aortaklep
aorta
Linkerventrikelwand heeft een dikkere spierwand dan de rechterventrikelwand.
Het hart wordt voorzien van zuurstofrijk bloed en voedingsstoffen door de kransslagaders. In de
diastolische fase worden de kransslagaders van bloed voorzien.
Fysiologie hart
Hartcyclus is het samentrekken (systole) en het
ontspannen (diastole) van de boezems en de
kamers. Hierbij openen en sluiten de kleppen zich.
Om goed te kunnen pompen heeft het hart een
prikkelgeleidingssysteem nodig. Eerst trekken de
boezems samen daarna de kamers.
Bestaat uit twee knopen: de sinusknoop en de AV-
knoop. Verder zijn er vezels die de prikkel
voortzetten.
Prikkelgeleidingssysteem
Het prikkelgeleidingssysteem bestaat uit cellen in de hartspier die het
vermogen hebben een elektrische prikkel snel te geleiden. Deze cellen
- in de tekening groen gekleurd - vormen een netwerkje. Weliswaar
kan ook het omringende (vleeskleurige) spierweefsel een elektrische
prikkel doorgeven, maar dat gaat minder snel.
A. Sinusknoop (bliksemflitsje)
B. AV-knoop
C. Bundel van His
D. Bundeltakken
E. Purkinje-vezels
Baroreceptoren nemen de druk waar en bij
veranderingen gaan er signalen richting
afferente banen naar het centrale
zenuwstelsel. De hersenstam neemt deze
informatie waar, herkent verandering. Het
autonome zenuwstelsel stuurt hart en de
bloedvaten aansturen.
de verschillende onderdelen van het circulatiesysteem en de bouw van het hart
beschrijven;
de fysiologie van hart en bloedvaten benoemen;
de regulatie van de hemodynamische stabiliteit beschrijven.
Circulatiesysteem en anatomie van het hart
Circulatiesysteem wordt ook wel het cardiovasculaire systeem
genoemd en bestaat uit bloed, hart en bloedvaten.
Functie van circulatiesysteem:
Aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen
Afvoer van afvalstoffen
Handhaven goede weefselperfusie
Vijf belangrijke functies van bloed:
Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen,
hormonen en afvalproducten van de stofwisseling
Stabilisering van de pH en de ionensamenstelling van de
interstitiële vloeistof in het gehele lichaam
Beperking van vloeistofverlies in het gehele lichaam
Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers
Stabilisering van de lichaamstemperatuur (d.m.v. vasoconstrictie en vasodilatatie)
Zowel de arterie als de vene hebben 3 lagen. Van binnen naar
buiten:
1) Tunica interna, bestaat uit endotheel met
basaalmembranen. Met onderliggende
bindweefsellaag met elastische vezels
2) Tunica media, bestaat uit gladde spiervezels met los
bindweefsel
- Zorgt door de gladde spiervezels dat een arterie
of een vene contraheren of ontspannen
(vasodilatatie of vasoconstrictie)
3) Tunica externa, bestaat uit bindweefsel dat het
bloedvat omgeeft
In de capillairen vindt de gaswisseling plaats
tussen het bloed en organen/weefsels.
Het zuurstofarme bloed keert terug via venule
naar de grotere aders terug naar de
rechterkant van het hart.
Vene bestaan uit kleppen die kunnen openen
en sluiten, om te voorkomen dat het bloed
terugstroomt.
Anatomie hart
, Het bloed stroomt van het rechteratrium tricuspidalisklep rechterventrikel pulmonalisklep
arteria pulmonalis longen
Vanuit de longen linkeratrium via vena pulmonalis mitralisklep linkerventrikel aortaklep
aorta
Linkerventrikelwand heeft een dikkere spierwand dan de rechterventrikelwand.
Het hart wordt voorzien van zuurstofrijk bloed en voedingsstoffen door de kransslagaders. In de
diastolische fase worden de kransslagaders van bloed voorzien.
Fysiologie hart
Hartcyclus is het samentrekken (systole) en het
ontspannen (diastole) van de boezems en de
kamers. Hierbij openen en sluiten de kleppen zich.
Om goed te kunnen pompen heeft het hart een
prikkelgeleidingssysteem nodig. Eerst trekken de
boezems samen daarna de kamers.
Bestaat uit twee knopen: de sinusknoop en de AV-
knoop. Verder zijn er vezels die de prikkel
voortzetten.
Prikkelgeleidingssysteem
Het prikkelgeleidingssysteem bestaat uit cellen in de hartspier die het
vermogen hebben een elektrische prikkel snel te geleiden. Deze cellen
- in de tekening groen gekleurd - vormen een netwerkje. Weliswaar
kan ook het omringende (vleeskleurige) spierweefsel een elektrische
prikkel doorgeven, maar dat gaat minder snel.
A. Sinusknoop (bliksemflitsje)
B. AV-knoop
C. Bundel van His
D. Bundeltakken
E. Purkinje-vezels
Baroreceptoren nemen de druk waar en bij
veranderingen gaan er signalen richting
afferente banen naar het centrale
zenuwstelsel. De hersenstam neemt deze
informatie waar, herkent verandering. Het
autonome zenuwstelsel stuurt hart en de
bloedvaten aansturen.