H2 aantekeningen
§1
Spaarmotieven →
- Voorzorg
- Dure aankoop
- Verwachte inkomens daling
- Rent = interest
Sparen leidt tot intertemporele ruil → ruilen over tijd
Je koopkracht verplaats je van nu naar de toekomst
Vb1.
Enkelvoudige interest
Spaarbedrag €500,- rente is 4% per jaar.
1. Hoeveel rente na 1 jaar?
500x0,04 = €20,-
2. Hoeveel rente na 8 maanden?
20/12 x 8 = €13,33
Vb2.
Samengestelde interest
Spaarbedrag €500,- rente 4% per jaar.
1. Spaarbedrag na 6 jaar?
500 x 1,04^6 = €632,66
2. Rente in het 6e jaar?
632-500 = €132,66
Vb3.
Begin storting berekenen.
Je wilt over 6 jaar €636,66 op je spaarrekening hebben. Rente 4%.
Hoeveel is de beginstorting?
632,66/1,04^6 = €500,-
Vb4.
Rente is 4%.
Prijsstijging (inflatie) is 2%.
Wat is de reële rente?
Index nominale rente/ index prijs x 100 = index reële rente
104/102 x 100 = 101,96 dus je kunt 1,96% meer kopen
§2
Spaarvormen →
1. Direct opvraagbare rekening
Bv. Elk moment geld kunnen opnemen zonder boete.
Nadeel: is lage rente
2. Spaardeposito
Bv. Vast zetten voor een bepaalde minimumtijd.
Voordeel: hoge rente
Nadeel: voor de afgesproken tijd opnemen kost boete
, H2 aantekeningen
3. Termijndeposito
Bv. Voordeel: hoge rente
Nadeel: dat je het geld niet kunt opnemen
4. Spaarloonregeling
Bv. Deel loon op spaarrekening met rente 4 jaar laten staan → geen inkomsten
belasting betalen
5. Levensloopregeling
Bv. Deel loon op spaarrekening met rente → betaalt verlof
Voordeel: geen inkomsten belasting betalen
6. ‘Groene’ spaarrekening
Bank leent geld uit aan milieu en dier vriendelijke bedrijven.
Voordeel: belastingvrij spaargeld groter
7. Lijfrente
Je stort op je spaarrekening waar je niet aan mag komen. Na 65+ jaar elke maand
uitkering.
Bv. Je stort €50000,- op lijfrente je krijgt 10 jaar lang per maand €600,-
120 x 600 = €7200,-
Storting €50000,- -
Rente €22000,-
Risico→
Vb1.
Als je inflatie hoger is dan rent → Koopkracht rente daalt
Rente 5%
Inflatie 8%
105/108 x 100% = 97,22 → dus je koopkracht van je spaargeld is 2,78% gedaald.
Vb2.
Bank failliet. Oplossing → deposito garantie stelsel → de staat betaalt maximaal €100000,-
per bank.
§3
Beleggen →
Voordeel: kans op een hoger rendement = opbrengst
Nadeel: meer risico het geld kwijt te raken
Beleggen in obligaties of aandelen.
Aandelen →
Bedrijf wil investeren (bv machines) → geld nodig
Lenen → terug betalen met rente
Aandelen uitgeven → geld blijft in het bedrijf, maar moet een deel van de winst afstaan
Als je aandelen koopt word je mede-eigenaar van het bedrijf → zeggenschap tijdens
aandeelhouders vergadering → krijgt deel van de winst = dividend
§1
Spaarmotieven →
- Voorzorg
- Dure aankoop
- Verwachte inkomens daling
- Rent = interest
Sparen leidt tot intertemporele ruil → ruilen over tijd
Je koopkracht verplaats je van nu naar de toekomst
Vb1.
Enkelvoudige interest
Spaarbedrag €500,- rente is 4% per jaar.
1. Hoeveel rente na 1 jaar?
500x0,04 = €20,-
2. Hoeveel rente na 8 maanden?
20/12 x 8 = €13,33
Vb2.
Samengestelde interest
Spaarbedrag €500,- rente 4% per jaar.
1. Spaarbedrag na 6 jaar?
500 x 1,04^6 = €632,66
2. Rente in het 6e jaar?
632-500 = €132,66
Vb3.
Begin storting berekenen.
Je wilt over 6 jaar €636,66 op je spaarrekening hebben. Rente 4%.
Hoeveel is de beginstorting?
632,66/1,04^6 = €500,-
Vb4.
Rente is 4%.
Prijsstijging (inflatie) is 2%.
Wat is de reële rente?
Index nominale rente/ index prijs x 100 = index reële rente
104/102 x 100 = 101,96 dus je kunt 1,96% meer kopen
§2
Spaarvormen →
1. Direct opvraagbare rekening
Bv. Elk moment geld kunnen opnemen zonder boete.
Nadeel: is lage rente
2. Spaardeposito
Bv. Vast zetten voor een bepaalde minimumtijd.
Voordeel: hoge rente
Nadeel: voor de afgesproken tijd opnemen kost boete
, H2 aantekeningen
3. Termijndeposito
Bv. Voordeel: hoge rente
Nadeel: dat je het geld niet kunt opnemen
4. Spaarloonregeling
Bv. Deel loon op spaarrekening met rente 4 jaar laten staan → geen inkomsten
belasting betalen
5. Levensloopregeling
Bv. Deel loon op spaarrekening met rente → betaalt verlof
Voordeel: geen inkomsten belasting betalen
6. ‘Groene’ spaarrekening
Bank leent geld uit aan milieu en dier vriendelijke bedrijven.
Voordeel: belastingvrij spaargeld groter
7. Lijfrente
Je stort op je spaarrekening waar je niet aan mag komen. Na 65+ jaar elke maand
uitkering.
Bv. Je stort €50000,- op lijfrente je krijgt 10 jaar lang per maand €600,-
120 x 600 = €7200,-
Storting €50000,- -
Rente €22000,-
Risico→
Vb1.
Als je inflatie hoger is dan rent → Koopkracht rente daalt
Rente 5%
Inflatie 8%
105/108 x 100% = 97,22 → dus je koopkracht van je spaargeld is 2,78% gedaald.
Vb2.
Bank failliet. Oplossing → deposito garantie stelsel → de staat betaalt maximaal €100000,-
per bank.
§3
Beleggen →
Voordeel: kans op een hoger rendement = opbrengst
Nadeel: meer risico het geld kwijt te raken
Beleggen in obligaties of aandelen.
Aandelen →
Bedrijf wil investeren (bv machines) → geld nodig
Lenen → terug betalen met rente
Aandelen uitgeven → geld blijft in het bedrijf, maar moet een deel van de winst afstaan
Als je aandelen koopt word je mede-eigenaar van het bedrijf → zeggenschap tijdens
aandeelhouders vergadering → krijgt deel van de winst = dividend