Van een rechte lijn is de formule: y=ax+b
a is hier de richtingscoëfficiënt en wanneer die van twee lijnen hetzelfde is lopen de lijnen evenwijdig
aan elkaar.
BV, K: f(x)=3x+2 en R: f(x)=3x+5
Als je twee punten hebt van een lijn kan je daarmee de richtingscoëfficiënt bereken, de formule
daarvoor is:
YB-yA
rc=
xB-xA
Het punt B is het punt wat het verst naar boven of naar beneden ligt.
A=rood De richtingscoëfficiënt van deze lijn is dus:
B=blauw
(3-1):(4-1)=2/3 daarmee kan je uiteindelijk ook
de formule berekenen want je weet de
snijpunten en hebt dus nog maar een
onbekende in de formule en dat is b.
2.2 tweede- en derdegraadsfuncties
De formule van een tweedegraadsfunctie is: ax2+bx+c, dat is een parabool. Wanneer a kleiner is dan 0
heb je een bergparabool en wanneer die groter is dan 0 heb je een dalparabool.
De extreme waarden/top/maxima en minima/minimum en maximum heten in het kort de extremen.
De symmetrieas loopt daar recht doorheen en is dus verticaal. De formule van deze verticale lijn is:
x=a en gaat door het punt (a, 0)
Stel je hebt een lijn F waarbij alle x’en groter zijn dan 0 dan is het domein van die lijn: D f= [0,->
Maar stel je gebruik alleen de x waardes 1 tot en met 5, dan krijg je een gesloten interval wat er zo
uitziet: Dg= [1,5] dat spreek je uit als het gesloten interval één vijf.
Je hebt ook het bereik, hierbij kijk je naar de y waardes, stel alle y’s van lijn Z zijn kleiner dan 0 dan
krijg je: Bz= <-,0]. Maar stel we kijken weer naar lijn G waar je een gesloten interval had bij het
domein dan heb je dat dus ook bij het bereik: B g= [-3,6]
Open interval
BV; als je zegt -3,-1 dan bedoel je alle getallen tussen -3 en -1
Functies met een parameter