Hoofdstuk 1
Sociologie: het kennisgebied van de opbouw van de samenleving en gedrag van mensen in groepen
Beroepsbevolking: iedereen tussen de 15 en AOW leeftijd die betaald werk hebben.
Flexibilisering: Er komen steeds meer mensen met tijdelijk contract. (bepaalde tijd).
- uitzendwerk
- flexibele pool (werk op verschillende locaties)
- oproepcontracten (bvb. In piek momenten)
- ZZP'ers
Precarisatie: Kwetsbare deel van de arbeidsmarkt. Bvb. Mensen met afstand tot arbeidsmarkt of
flexwerkers.
Vergrijzing: toename in het aantal ouderen in de bevolking.
Ontgroening: steeds minder jongeren die zich aandienen op de arbeidsmarkt.
Hoofdstuk 2
Arbeidswaardeleer: De leer die arbeid beschouwt als de voornaamste bron van waarde in het
economisch leven. Hier hoort bij:
Materiële opbrengst: beloning van arbeid
Sociale opbrengst: de contacten en samenwerken met mensen
Psychische opbrengst: de geestelijke en emotionele bevrediging die de arbeid schenkt. Zoals
voldoening voelen aan cliënten van de zorg. Of vrijwilligerswerk
genderperspectief: Het verschil van mannen en vrouwen beroepen.
Glazenmuur: iedere man kan in de zorg werken en de vrouw in de bouw. Feitelijk gebeurd dit niet
vaak, dus een 'onzichtbare muur'.
Glazenplafond: Vrouwen met hoog opleidingsniveau lukt het niet om in toppositie te komen.
Deeltijdarbeid: In Nederland werken veel vrouwen in deeltijd.
Formeel Betaald: Arbeid in loondienst
Formeel Onbetaald: Vrijwilligerswerk
Informeel Betaald: Zwart werk
Informeer Onbetaald Huishoudelijk werk
Decentralisatie: overheidshandelen dichter bij mensen te brengen, taken en verantwoordlijkheden
van de rijksoverheid naar gemeenten.
Bureaucratisering: veelheid aan ingewikkelde regelgeving overheid
Bismarck effect: Tijdelijk vertragen van veranderingen arbeid en confessies uitvoeren. (zoals te lange
werkdagen)
Verdringing: betaalde banen omzetten in vrijwilligersfuncties
, Hoofdstuk 3
Arbeidsdeling: verbind mensen met elkaar door beroepen
3 kapitalen:
1. cognitief = je hebt de kennis en vaardigheden
2. sociaal cultureel = je kunt handhaven binnen de beroepsgroep (met collega's, klanten)
3. moreel = Je houd je aan de normen en waarden. Vertrouwen geven aan de klanten.
Kan leiden tot sociale (on) gelijkheid, cohesie en identiteit
Industriële revolutie: samenbrengen van mensen en middelen in een productie eenheid onder
leiding van management
Principes: (uitgelegd hoofdstuk 5)
Rationalisering
Mechanisering
Schaalvergroting
Arbeidsverdeling: Het opsplitsen van werkzaamheden in kleine deeltaken. Scheidt mensen
Is efficiënter
Arbeid wordt minder leuk
Klassieke theorie: Adam Smith
Welvaart leidt tot betere moraal (mensen gaan zich fatsoenlijker gedragen). Benadrukt de voordelen
van een vrije markt, waar vraag en aanbod de prijs bepalen. Het voordeel concurrentie leidt tot een
stimulans om efficiënter te gaan produceren.
Ontzichtbare hand: coördinatie tussen vraag en aanbod (arbeidsmarkt). Veel vraag = hogere prijs.
Weinig vraag = lagere prijs
arbeidsverdeling: Wanneer arbeid word verdeeld in kleine taken, leid dit tot verhoogde
productiviteit en efficiëntie. Mensen gaan zich specialiseren in waar zij goed in zijn.
Marktwerking: bij vrije marktwerking zal een product of dienst precies die prijs hebben waarbij vraag
en aanbod in evenwicht zijn of andersom. Mensen jagen hun eigen belangen na (motivatie) en
dienen daarmee het algemeen belang (efficiënt werken)
Vrije marktwerking: geen staatsbemoeienis en vrije handel
Sociologie: het kennisgebied van de opbouw van de samenleving en gedrag van mensen in groepen
Beroepsbevolking: iedereen tussen de 15 en AOW leeftijd die betaald werk hebben.
Flexibilisering: Er komen steeds meer mensen met tijdelijk contract. (bepaalde tijd).
- uitzendwerk
- flexibele pool (werk op verschillende locaties)
- oproepcontracten (bvb. In piek momenten)
- ZZP'ers
Precarisatie: Kwetsbare deel van de arbeidsmarkt. Bvb. Mensen met afstand tot arbeidsmarkt of
flexwerkers.
Vergrijzing: toename in het aantal ouderen in de bevolking.
Ontgroening: steeds minder jongeren die zich aandienen op de arbeidsmarkt.
Hoofdstuk 2
Arbeidswaardeleer: De leer die arbeid beschouwt als de voornaamste bron van waarde in het
economisch leven. Hier hoort bij:
Materiële opbrengst: beloning van arbeid
Sociale opbrengst: de contacten en samenwerken met mensen
Psychische opbrengst: de geestelijke en emotionele bevrediging die de arbeid schenkt. Zoals
voldoening voelen aan cliënten van de zorg. Of vrijwilligerswerk
genderperspectief: Het verschil van mannen en vrouwen beroepen.
Glazenmuur: iedere man kan in de zorg werken en de vrouw in de bouw. Feitelijk gebeurd dit niet
vaak, dus een 'onzichtbare muur'.
Glazenplafond: Vrouwen met hoog opleidingsniveau lukt het niet om in toppositie te komen.
Deeltijdarbeid: In Nederland werken veel vrouwen in deeltijd.
Formeel Betaald: Arbeid in loondienst
Formeel Onbetaald: Vrijwilligerswerk
Informeel Betaald: Zwart werk
Informeer Onbetaald Huishoudelijk werk
Decentralisatie: overheidshandelen dichter bij mensen te brengen, taken en verantwoordlijkheden
van de rijksoverheid naar gemeenten.
Bureaucratisering: veelheid aan ingewikkelde regelgeving overheid
Bismarck effect: Tijdelijk vertragen van veranderingen arbeid en confessies uitvoeren. (zoals te lange
werkdagen)
Verdringing: betaalde banen omzetten in vrijwilligersfuncties
, Hoofdstuk 3
Arbeidsdeling: verbind mensen met elkaar door beroepen
3 kapitalen:
1. cognitief = je hebt de kennis en vaardigheden
2. sociaal cultureel = je kunt handhaven binnen de beroepsgroep (met collega's, klanten)
3. moreel = Je houd je aan de normen en waarden. Vertrouwen geven aan de klanten.
Kan leiden tot sociale (on) gelijkheid, cohesie en identiteit
Industriële revolutie: samenbrengen van mensen en middelen in een productie eenheid onder
leiding van management
Principes: (uitgelegd hoofdstuk 5)
Rationalisering
Mechanisering
Schaalvergroting
Arbeidsverdeling: Het opsplitsen van werkzaamheden in kleine deeltaken. Scheidt mensen
Is efficiënter
Arbeid wordt minder leuk
Klassieke theorie: Adam Smith
Welvaart leidt tot betere moraal (mensen gaan zich fatsoenlijker gedragen). Benadrukt de voordelen
van een vrije markt, waar vraag en aanbod de prijs bepalen. Het voordeel concurrentie leidt tot een
stimulans om efficiënter te gaan produceren.
Ontzichtbare hand: coördinatie tussen vraag en aanbod (arbeidsmarkt). Veel vraag = hogere prijs.
Weinig vraag = lagere prijs
arbeidsverdeling: Wanneer arbeid word verdeeld in kleine taken, leid dit tot verhoogde
productiviteit en efficiëntie. Mensen gaan zich specialiseren in waar zij goed in zijn.
Marktwerking: bij vrije marktwerking zal een product of dienst precies die prijs hebben waarbij vraag
en aanbod in evenwicht zijn of andersom. Mensen jagen hun eigen belangen na (motivatie) en
dienen daarmee het algemeen belang (efficiënt werken)
Vrije marktwerking: geen staatsbemoeienis en vrije handel