Introductie
Wat wordt onder de bestuurskunde verstaan?
Bestuurskunde houdt zich bezig met:
A) (verschijnselen van) openbaar bestuur
B) de inrichting (organisatie) en werkwijze (wijze van functioneren) van het openbaar bestuur
Wat zijn de achtergronden van de opkomst van de bestuurskunde?
In de jaren 80 opgericht door wetenschappers en mensen uit de bestuurspraktijk
1928: Poelje eerste hoogleraar bestuurskunde (tevens de grondlegger)
Doel van de bestuurskunde:
A) meer begrip krijgen van het openbaar bestuur
B) het verbeteren van het openbaar bestuur
Waarom bestuurskunde als wetenschap?
Het openbaar bestuur heeft experts nodig.
- Academic professionals = Deskundigen die academisch geschoold zijn om
oplossingen te vinden op problemen waarvoor geen standaard antwoord uit de
boeken gehaald kan worden maar iets nieuws moet worden gevonden.
Openbaar bestuur
Openbaar bestuur gaat over hoe te zorgen voor gemeenschappelijke zaken die de
samenleving raken met daarbij behorende activiteiten, mensen en organisaties.
- Die gemeenschappelijke zaken noemen we het algemeen belang.
Wat valt onder het algemeen belang?
- Niet objectief bepaalbaar.
- Wordt door de politiek bepaald.
- Het recht, de economie, de sociologie en de politicologie kunnen hier inzichten
in geven.
Openbaar
Het betreft de gehele maatschappij (gemeenschappelijk): het heeft een publiek karakter.
Besturen
- Er moeten beslissingen worden genomen om (maatschappelijke en intern bestuurlijke)
problemen op te lossen.
- Besturen = Het nemen van beslissingen met een bindend karakter (= niemand kan hierover
kiezen of zich ‘ontbinden’) voor en namens leden van de samenleving op een bepaald
grondgebied.
- Voorbeelden: geweldsmonopolie, publiekrechtelijke bevoegdheden
,De rol van burgers in de democratische rechtsstaat:
- moeten invloed hebben op bovenstaande beslissingen (via verkiezingen en inspraak)
- moeten naar de rechter kunnen wanneer de overheid meer doet dan toegelaten
De drie hoofdvragen van de bestuurskunde
Waar houdt de bestuurskunde zich concreet mee bezig (centrale vragen + kernonderwerpen)?
1. Hoe werkt en wat doet het openbaar bestuur: beleids- en besluitvorming?
2. Hoe is het openbaar bestuur georganiseerd: organisatie en management?
3. Wie zijn de bestuurders, politici en ambtenaren en hoe gaan ze met elkaar om: politiek-
ambtelijke verhoudingen?
Deze vragen kunnen op verschillende manieren behandeld worden:
- Empirisch = Beschrijvend/descriptief (Hoe werkt het openbaar bestuur?) en verklarend
(Waarom werkt het openbaar bestuur zo?)
- Normatief = Maatgevend (Hoe zou het moeten zijn?)
- Beoordelend aan de hand van eisen van good governance: rechtsstatelijkheid,
responsiviteit, transparantie, effectiviteit en efficiency
- Prescriptief = Voorschrijvend (Hoe kan het openbaar bestuur beter functioneren,
georganiseerd en gemanaged worden en betere bestuurders krijgen?)
Bestuurskunde: een multi- en interdisciplinair vak
Wat houdt dit in?
- Meerdere benaderingswijzen die men probeert te combineren om bestuurlijke vragen te
bestuderen en aan te pakken
- Inzichten uit: economie, geschiedenis, politicologie, psychologie, rechten en
sociologie
Multidisciplinair = Benaderingen staan naast elkaar (men houdt zich hier wel vast aan de
eigen discipline, gaat minder ver dan interdisciplinair)
Interdisciplinair = Het combineren van verschillende invalshoeken (er wordt een
tussenpositie tussen de verschillende disciplines gecreëerd)
Meerwaarde van de interdisciplinaire benadering:
- Tunnelvisie vermijden: aan een bestuurlijk probleem zitten meerdere aspecten verbonden
De vier fundamenten van het openbaar bestuur
1. (Democratische) rechtstaat
- Overheid, politiek en burgers zijn gebonden aan de wetten en regels: niemand staat boven
de wet.
- Democratisch: Burgers kunnen invloed uitoefenen op de werking van de staat
(verkiezingen).
4 kernonderdelen:
A) Legaliteitsbeginsel = Wat de overheid doet heeft een basis in de wet en nieuwe regels
(met name de strafrechtelijke) zijn (meestal) niet met terugwerking geldig
- Voorbeeld: Op het moment dat je iets deed, was het niet strafbaar, dus kun je geen
straf krijgen, je moet namelijk weten waar je aan toe bent.
, B) Machtenscheiding (trias politica) = De wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende
macht in een land moeten niet bij één instelling zijn ondergebracht
- In Nederland geen volledige scheiding, wel spreiding
C) Onafhankelijke rechtspraak = Onafhankelijke rechters, die niet door vertegenwoordigers
van de andere machten naar hun hand kunnen worden gezet (worden daarom voor het leven
benoemd)
- Rechters moeten rechtspreken op basis van de wet, de nationale en internationale
regelgeving en de jurisprudentie (richtlijn voor beslissingen rechters)
D) Grondrechten = Fundamentele vrijheden van mensen in de samenleving ten opzichte van
de staat en elkaar
- Zijn te vinden in de Grondwet en internationale verdragen als Europees Verdrag van
de Rechten van de Mens (EVRM)
- Voorbeelden: vrijheid van meningsuiting, godsdienst of levensovertuiging etc.
- Overheid moet volgens het recht op (privé en gezins-)leven hun burgers beschermen
- Klimaat?
2. Parlementair stelsel
- Bevolking kiest rechtstreeks het hoogst besluitvormende orgaan (de Tweede Kamer)
waaraan de regering verantwoording schuldig is (indirecte democratie)
- Stemmen zonder ‘last of ruggenspraak’
- Zonder last = Volksvertegenwoordiger mag zich geen standpunt laten opdringen,
maar moet een eigen oordeel vellen.
- Zonder ruggenspraak = Men heeft het recht zonder overleg met de achterban een
besluit te nemen.
3 kernonderdelen:
A) Ministeriële verantwoordelijkheid = Ministers zijn verantwoordelijk, ook voor het
handelen van het staatshoofd en de rijksambtenaren.
- Koning is onschendbaar.
- Minister legt naar het parlement (Staten-Generaal: EK & TK) verantwoording af
over handelingen koning en ambtelijk apparaat.
B) Vertrouwensbeginsel = Kabinet/Kabinetsleden moet(en) het vertrouwen hebben van de
meerderheid van de leden van de Tweede Kamer.
- Dit wordt aangenomen tot het tegendeel blijkt.
- Motie van wantrouwen -> Kabinet/Kabinetsleden moet(en) aftreden
- Begroting kan ook afgekeurd worden
C) Dualistisch stelsel = Volksvertegenwoordiging is onafhankelijk van de regering
- Ministers kunnen geen lid woorden van het parlement (Staten-Generaal: EK & TK).
- Monisme (VK) = Ministers kunnen wel lid worden van het parlement.
3. Constitutionele monarchie
- Koning is het staatshoofd, maar zijn handelen/taak is vastgelegd in de wet.
Positie Koning:
- Ministeriële verantwoordelijkheid (ministers verantwoordelijk, Koning onschendbaar)