BS7
1. Kan het proces van gaswisseling in de longen en in de weefsels uitleggen en kan het
capillair uitwisselingsproces beschrijven
Diffusie=
• Moleculen verplaatsen naar de laagste concentratie --> gelijkheid.
Partiele druk= bepaalt de snelheid van de diffusie
• Lucht die wij inademen = 760 mmHg.
• Partiele druk= druk
per type gas
--> recht evenredig met
percentage.
Als we uitademen halen we niet alle lucht uit de longen, er blijft een stukje dode ruimte over met
lucht. Hiermee vermengt de lucht die wij inademen, het is vooral koolstofdioxide rijke lucht.
Lucht die we inademen wordt verwarmd, bevochtigt en gemengd met lucht dode ruimte.
Hierdoor is de druk van O2 en CO2 niet gelijk aan de lucht in de atmosfeer.
- Zuurstof heeft een lagere druk in de longen (100 mmHg) want mengt met lucht dode
ruimte
- CO2 heeft een hogere druk in de longen want mengt met dode ruimte lucht (45 mmHg)
Externe respiratie (in de longen) = Uitwisseling van zuurstof en CO2 tussen
alveoli en alveolaire capillairen.
• Lucht alveoli verplaats zich naar alveolaire capillairen (haarvaten,
bloedvat)
• Longen bevatten meer zuurstof dan het bloed wat langskomt.
• Zuurstof naar de cellen en koolstofdioxide uit de cellen.
Interne respiratie (in het lichaam) = zuurstof gaat vanuit capillairen grote
bloedsomloop richting het weefsel met de interstitiële vloeistof.
• Druk in het weefsel is lager omdat hier zuurstof wordt verbruikt
• Opname van zuurstof en afgifte van koolstofdioxide
• Vanuit bloed naar de cellen/weefsel.
CO2 zit veel in het weefsel --> bloedvaten --> longen --> uitademen.
Zuurstof:
• Slecht oplosbaar in bloedplasma
• Vervoerd door erytrocyten (rode bloedcellen) --> gebonden aan
hemoglobine
• Hb+ 02 <-> HbO2 (zuurstof is gebonden aan hemoglobine). Oxyhemoglobine
Hoeveelheid 02 binding: afhankelijk van hoeveelheid zuurstofdruk (PO2) in de omgeving
• Hoge druk zorgt voor veel binding
• Lage druk zorgt voor minder binding
Hoeveelheid 02 afgifte: afhankelijkheid van activiteit van weefsels, actiever zorgt voor min PO2.
• pH= meer afgifte, het bevat meer co2
• Temperatuur= meer afgifte
--> een spier die veel gebruikt wordt is zuurder en warmer en heeft meer zuurstof nodig.
,Koolstofdioxide transport
1. Opgelost in bloedplasma, klein deel
2. Gebonden aan hemoglobine
3. Grootste deel wordt samen met water omgezet door het enzym koolzuuranhydrase
omgezet tot koolzuur. Dit valt uiteen in waterstof en bicarbonaat. w
Waterstofatoom blijft in de rode bloedcel, anders wordt plasma te
Zuur en het bicarbonaat gaat wel naar het plasma.
Beide reacties zijn
volledig
omkeerbaar, voor
als
koolstofdioxide
afgeven moet worden in de longen.
Zuurstof gaat vanuit de longblaasjes naar een bloedvat --> in een rode bloedcel. Dit proces kan
plaats vinden door diffusie. In een rode bloedcel bevindt zich hemoglobine en dit is waar het
zuurstof zich aan vastbindt.
Zuurstoftransport door bloed:
• Via hemoglobine --> HbO2
• Zuurstof is opgelost in plasma
Een cel maakt koolstofdioxide aan en er is weinig zuurstof, de rode bloedcel neemt deze
koolstofdioxide op.
• Het zuurstof wordt afgegeven aan de cel, vanwege de lage zuurstofdruk.
• De hemoglobine wil zich binden aan de CO2.
Koolstofdioxide gaat terug naar de longen:
1. Lage druk in de longen, diffusie wil gelijkheid
2. Alle processen zijn omkeerbaar
2. Kan het principe van zuur-base evenwicht uitleggen en de rol van de longen hierin
herkennen
Zuur-base evenwicht
= het evenwicht tussen hoeveelheid zuren en basen in een bepaalde oplossing
--> Ph= zuurgraad is de concentratie H+ ionen.
Ph waarde ligt tussen de 0-14. Onder de 7 is zuur en boven 7 dan is basisch.
Arteriële bloedgas (astrup) je meet Ph, O2, CO2, HCO3-
PH- waarde:
• 7.35 en 7.45 --> homeostase
• Acidose < 7.35
• Alkalose > 7.45
• Invloed op zenuwstelsel en bloedvatstelsel
,--> dit zorgt voor verstoring van stabiliteit van celmembranen, eiwitstructuren veranderen en
enzymen worden beïnvloed. Dit is gevaarlijk en zorgt voor veranderingen.
Koolzuur is belangrijk, bestaat uit CO2 en H2O:
Co2+H2O <-> H2C03 (koolzuur) <-> H+ + HCO3-
• In de longen valt koolzuur uit elkaar in Co2 en H2O --> koolstofdioxide gaat de
longblaasjes in.
• In de weefsels reageert
koolstof met water en wordt
er koolzuur gevormd -->
vervolgens valt dit uiteen in
H+ en HCO3-.
• Als de PCO2 stijgt dan
komen er meer
waterstofatomen en
bicarbonaat --> de PH daalt,
is dus zuurder.
• Als de PCO2 daalt dan wil het
lichaam koolstofdioxide
aanmaken en binden H+ en
HCO3- aan elkaar --> de
reactie draait zich om. --> de ph stijgt.
Homeostase wordt bereikt via buffersystemen:
--> H+ ionen binden of los te laten. Zo worden zuren neutraal gehouden.
• Buffer bestaat uit een zwak zuur die kan ionen afstaan of een zwakke base die een H+ ion
kan opnemen.
• Eiwit buffer: reguleert ph intra en extracellulair.
• Fosfaat buffer: intracellulair, hier is hoge fosfaatconcentratie.
• Bicarbonaat buffer: extracellulair
Bicarbonaat buffer
Koolzuur bestaat uit zuren en basen --> bicarbonaat is een basen en H+ is een zuur.
• Als er een hoge bloed ph is dan kan een H+ een base oftewel bicarbonaat binden en dit
neutraliseren.
• Bij acidose zijn er veel H+
ionen en gaat het bicarbonaat
binden --> het is anders te
zuur. Hierdoor ontstaat
koolzuur dit splits zich dan
weer in koolstofdioxide en
water. Dit adem je uit.
• Bij alkalose heb je een tekort
aan H+ ionen. Koolzuur splits
zich dan om H+ te vormen en
de zuurgraad te laten stijgen.
Het bicarbonaat wordt via de
nieren uitgescheiden. De PH
zal gaan dalen --> homeostase.
, Een dalende PH waarde --> zorgt voor een hoger zuurgraad --> meer H+ ionen
Stijgende PH waarde --> zorgt voor een daling van de zuurtegraad --> minder H+ ionen
Ph waarde behouden tussen de normaalwaarde:
• Ademhalingsstelsel en de nieren.
• Ademhalingsstelsel zorgt voor de uitscheiding van koolstofdioxide via de longen.
o Koolstofdioxide passeert makkelijk een membraan en afwijkingen kunnen
hierdoor ook makkelijk worden gecorrigeerd. Er wordt veel aangemaakt maar ook
veel uitgeademd.
o Nieren zorgen voor afscheiding H+ en HCO3- --> afscheiding zuren en basen.
Buffers kunnen uitgeput raken. Ze kunnen de verandering van de PH niet meer reguleren. Er
ontstaat een acidose of een alkalose waarbij de oorzaak in de nieren of longen ligt.
• Longen spelen een rol vanwege het koolstofdioxide die we kunnen uitademen.
• Nieren omdat ze bicarbonaat kunnen uitscheiden
Acidose pH < 7,35
• Respiratoire acidose = door de longen wordt het bloed te zuur --> er is te veel
koolstofdioxide aanwezig, dit wordt als een zuur gezien
o Hypoventilatie: trage ademhaling. Minder koolstof wordt uitgeademd
o Insufficiënte ademhaling --> ineffectieve gaswisseling en de koolstof stapelt op in
het bloed
• Metabool acidose: door een oorzaak uit de nieren is er te veel zuur aanwezig
o Nieren, stofwisseling. Er is bijvoorbeeld een tekort aan bicarbonaat.
Compensatiemechanisme
• Respiratoire acidose:
o Metabole compensatie door nieren --> bicarbonaat vasthouden. De ph waarde zal
richting normaal gaan. Of meer uitscheiding van H+
• Metabole acidose
o Respiratoire compensatie door de longen --> er wordt meer koolstof afgeblazen.
Alkalose pH> 7.45
• Respiratoire alkalose: door de longen het bloed basisch is --> te weinig koolstofdioxide
aanwezig
o Hyperventilatie
• Metabole alkalose: te veel H+ wordt afgescheiden of te veel bicarbonaat aanwezig
o Nieren, stofwisseling
Compensatiemechanismen
• Respiratoire alkalose
o Metabole compensatie door nieren --> uitscheiding bicarbonaat
• Metabole alkalose:
o Respiratoire door de longen --> hypoventilatie --> langzamer ademen
Diagnostiek --> bloedgasanalyse vanuit de slagader
3. Kan beschrijven hoe de ademhaling wordt bewaakt, welke parameters hierbij van belang
zijn en afwijkingen hierin interpreteren
1. Kan het proces van gaswisseling in de longen en in de weefsels uitleggen en kan het
capillair uitwisselingsproces beschrijven
Diffusie=
• Moleculen verplaatsen naar de laagste concentratie --> gelijkheid.
Partiele druk= bepaalt de snelheid van de diffusie
• Lucht die wij inademen = 760 mmHg.
• Partiele druk= druk
per type gas
--> recht evenredig met
percentage.
Als we uitademen halen we niet alle lucht uit de longen, er blijft een stukje dode ruimte over met
lucht. Hiermee vermengt de lucht die wij inademen, het is vooral koolstofdioxide rijke lucht.
Lucht die we inademen wordt verwarmd, bevochtigt en gemengd met lucht dode ruimte.
Hierdoor is de druk van O2 en CO2 niet gelijk aan de lucht in de atmosfeer.
- Zuurstof heeft een lagere druk in de longen (100 mmHg) want mengt met lucht dode
ruimte
- CO2 heeft een hogere druk in de longen want mengt met dode ruimte lucht (45 mmHg)
Externe respiratie (in de longen) = Uitwisseling van zuurstof en CO2 tussen
alveoli en alveolaire capillairen.
• Lucht alveoli verplaats zich naar alveolaire capillairen (haarvaten,
bloedvat)
• Longen bevatten meer zuurstof dan het bloed wat langskomt.
• Zuurstof naar de cellen en koolstofdioxide uit de cellen.
Interne respiratie (in het lichaam) = zuurstof gaat vanuit capillairen grote
bloedsomloop richting het weefsel met de interstitiële vloeistof.
• Druk in het weefsel is lager omdat hier zuurstof wordt verbruikt
• Opname van zuurstof en afgifte van koolstofdioxide
• Vanuit bloed naar de cellen/weefsel.
CO2 zit veel in het weefsel --> bloedvaten --> longen --> uitademen.
Zuurstof:
• Slecht oplosbaar in bloedplasma
• Vervoerd door erytrocyten (rode bloedcellen) --> gebonden aan
hemoglobine
• Hb+ 02 <-> HbO2 (zuurstof is gebonden aan hemoglobine). Oxyhemoglobine
Hoeveelheid 02 binding: afhankelijk van hoeveelheid zuurstofdruk (PO2) in de omgeving
• Hoge druk zorgt voor veel binding
• Lage druk zorgt voor minder binding
Hoeveelheid 02 afgifte: afhankelijkheid van activiteit van weefsels, actiever zorgt voor min PO2.
• pH= meer afgifte, het bevat meer co2
• Temperatuur= meer afgifte
--> een spier die veel gebruikt wordt is zuurder en warmer en heeft meer zuurstof nodig.
,Koolstofdioxide transport
1. Opgelost in bloedplasma, klein deel
2. Gebonden aan hemoglobine
3. Grootste deel wordt samen met water omgezet door het enzym koolzuuranhydrase
omgezet tot koolzuur. Dit valt uiteen in waterstof en bicarbonaat. w
Waterstofatoom blijft in de rode bloedcel, anders wordt plasma te
Zuur en het bicarbonaat gaat wel naar het plasma.
Beide reacties zijn
volledig
omkeerbaar, voor
als
koolstofdioxide
afgeven moet worden in de longen.
Zuurstof gaat vanuit de longblaasjes naar een bloedvat --> in een rode bloedcel. Dit proces kan
plaats vinden door diffusie. In een rode bloedcel bevindt zich hemoglobine en dit is waar het
zuurstof zich aan vastbindt.
Zuurstoftransport door bloed:
• Via hemoglobine --> HbO2
• Zuurstof is opgelost in plasma
Een cel maakt koolstofdioxide aan en er is weinig zuurstof, de rode bloedcel neemt deze
koolstofdioxide op.
• Het zuurstof wordt afgegeven aan de cel, vanwege de lage zuurstofdruk.
• De hemoglobine wil zich binden aan de CO2.
Koolstofdioxide gaat terug naar de longen:
1. Lage druk in de longen, diffusie wil gelijkheid
2. Alle processen zijn omkeerbaar
2. Kan het principe van zuur-base evenwicht uitleggen en de rol van de longen hierin
herkennen
Zuur-base evenwicht
= het evenwicht tussen hoeveelheid zuren en basen in een bepaalde oplossing
--> Ph= zuurgraad is de concentratie H+ ionen.
Ph waarde ligt tussen de 0-14. Onder de 7 is zuur en boven 7 dan is basisch.
Arteriële bloedgas (astrup) je meet Ph, O2, CO2, HCO3-
PH- waarde:
• 7.35 en 7.45 --> homeostase
• Acidose < 7.35
• Alkalose > 7.45
• Invloed op zenuwstelsel en bloedvatstelsel
,--> dit zorgt voor verstoring van stabiliteit van celmembranen, eiwitstructuren veranderen en
enzymen worden beïnvloed. Dit is gevaarlijk en zorgt voor veranderingen.
Koolzuur is belangrijk, bestaat uit CO2 en H2O:
Co2+H2O <-> H2C03 (koolzuur) <-> H+ + HCO3-
• In de longen valt koolzuur uit elkaar in Co2 en H2O --> koolstofdioxide gaat de
longblaasjes in.
• In de weefsels reageert
koolstof met water en wordt
er koolzuur gevormd -->
vervolgens valt dit uiteen in
H+ en HCO3-.
• Als de PCO2 stijgt dan
komen er meer
waterstofatomen en
bicarbonaat --> de PH daalt,
is dus zuurder.
• Als de PCO2 daalt dan wil het
lichaam koolstofdioxide
aanmaken en binden H+ en
HCO3- aan elkaar --> de
reactie draait zich om. --> de ph stijgt.
Homeostase wordt bereikt via buffersystemen:
--> H+ ionen binden of los te laten. Zo worden zuren neutraal gehouden.
• Buffer bestaat uit een zwak zuur die kan ionen afstaan of een zwakke base die een H+ ion
kan opnemen.
• Eiwit buffer: reguleert ph intra en extracellulair.
• Fosfaat buffer: intracellulair, hier is hoge fosfaatconcentratie.
• Bicarbonaat buffer: extracellulair
Bicarbonaat buffer
Koolzuur bestaat uit zuren en basen --> bicarbonaat is een basen en H+ is een zuur.
• Als er een hoge bloed ph is dan kan een H+ een base oftewel bicarbonaat binden en dit
neutraliseren.
• Bij acidose zijn er veel H+
ionen en gaat het bicarbonaat
binden --> het is anders te
zuur. Hierdoor ontstaat
koolzuur dit splits zich dan
weer in koolstofdioxide en
water. Dit adem je uit.
• Bij alkalose heb je een tekort
aan H+ ionen. Koolzuur splits
zich dan om H+ te vormen en
de zuurgraad te laten stijgen.
Het bicarbonaat wordt via de
nieren uitgescheiden. De PH
zal gaan dalen --> homeostase.
, Een dalende PH waarde --> zorgt voor een hoger zuurgraad --> meer H+ ionen
Stijgende PH waarde --> zorgt voor een daling van de zuurtegraad --> minder H+ ionen
Ph waarde behouden tussen de normaalwaarde:
• Ademhalingsstelsel en de nieren.
• Ademhalingsstelsel zorgt voor de uitscheiding van koolstofdioxide via de longen.
o Koolstofdioxide passeert makkelijk een membraan en afwijkingen kunnen
hierdoor ook makkelijk worden gecorrigeerd. Er wordt veel aangemaakt maar ook
veel uitgeademd.
o Nieren zorgen voor afscheiding H+ en HCO3- --> afscheiding zuren en basen.
Buffers kunnen uitgeput raken. Ze kunnen de verandering van de PH niet meer reguleren. Er
ontstaat een acidose of een alkalose waarbij de oorzaak in de nieren of longen ligt.
• Longen spelen een rol vanwege het koolstofdioxide die we kunnen uitademen.
• Nieren omdat ze bicarbonaat kunnen uitscheiden
Acidose pH < 7,35
• Respiratoire acidose = door de longen wordt het bloed te zuur --> er is te veel
koolstofdioxide aanwezig, dit wordt als een zuur gezien
o Hypoventilatie: trage ademhaling. Minder koolstof wordt uitgeademd
o Insufficiënte ademhaling --> ineffectieve gaswisseling en de koolstof stapelt op in
het bloed
• Metabool acidose: door een oorzaak uit de nieren is er te veel zuur aanwezig
o Nieren, stofwisseling. Er is bijvoorbeeld een tekort aan bicarbonaat.
Compensatiemechanisme
• Respiratoire acidose:
o Metabole compensatie door nieren --> bicarbonaat vasthouden. De ph waarde zal
richting normaal gaan. Of meer uitscheiding van H+
• Metabole acidose
o Respiratoire compensatie door de longen --> er wordt meer koolstof afgeblazen.
Alkalose pH> 7.45
• Respiratoire alkalose: door de longen het bloed basisch is --> te weinig koolstofdioxide
aanwezig
o Hyperventilatie
• Metabole alkalose: te veel H+ wordt afgescheiden of te veel bicarbonaat aanwezig
o Nieren, stofwisseling
Compensatiemechanismen
• Respiratoire alkalose
o Metabole compensatie door nieren --> uitscheiding bicarbonaat
• Metabole alkalose:
o Respiratoire door de longen --> hypoventilatie --> langzamer ademen
Diagnostiek --> bloedgasanalyse vanuit de slagader
3. Kan beschrijven hoe de ademhaling wordt bewaakt, welke parameters hierbij van belang
zijn en afwijkingen hierin interpreteren