A.I.M. van Mierlo, J.H. van Dam-Lely. (2003). Bewijs. In Procederen bij dagvaarding in eerste
aanleg (pp. 297–310). Kluwer.
Bewijsbaarheid van de feiten is van groot belang voor het winnen of verliezen van een
zaak. Het is voor partijen dus belangrijk om hun bewijspositie duidelijk te hebben om
hun kansen af te wegen. Dit inzicht in de bewijspositie van partijen is extra duidelijk in
het huidige wetboek van burgerlijke rechtsvordering, doordat de DV-procedure zich
idealiter beperkt tot 1 schriftelijke ronde, waarna de comparitie na antwoord volgt en
vervolgens tot een (tussen)vonnis of een schikking.
Om 1 schriftelijke ronde mogelijk te maken heeft de wetgever extra zware eisen gesteld:
- in art. 111 lid 3 Rv aan de formulering van de grondslag van de vordering in de
dagvaarding.
- In art. 128 lid 5 Rv aan de motivering van het verweer in de conclusie van
antwoord.
In het bewijsrecht spelen in grote lijnen 3 vragen:
i. Welke feiten behoeven bewijs?
ii. Wie moet de (door hem gestelde) feiten bewijzen?
iii. Hoe kan het bewijs worden geleverd?
Het bewijsrecht voor DV-procedures is opgenomen in art. 149-207 Rv. Dit is grotendeels
ook van toepassing op VS-procedures dankzij de schakelbepaling in art. 284 Rv.
i. Welke feiten behoeven bewijs?
Op grond van art. 24 Rv wordt bepaald dat partijen de omvang van de rechtsstrijd
bepalen door de feitelijke grondslag die zij aan hun vordering of verweer geven en door
de feiten die zij stellen.
Art. 149 Rv de rechter die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag
leggen die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of die zijn gesteld (= Stelplicht) en
… zijn komen vast te staan.
Feiten komen vast te staan:
- indien zij door A zijn gesteld en door B niet voldoende zijn bewist
- indien zij zijn bewezen.
Taak van partijen is als volgt: eiser moet de feiten stellen waaruit het rechtsgevolg
waarop hij zich beroept voortvloeit. Gedaagde moet daartegenover de feiten stellen die
de grondslag vormen voor zijn verweer. Het verweer van gedaagde kan:
- betwistend zijn, “nee, want”.
- Bevrijdend zijn, “ja, maar”. (bijv. Een overmacht situatie)
Art. 25 Rv het is de rechter verboden de feiten en feitelijke grondslag aan te vullen. De
rechter heeft wel de verplichting om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen.
Het materiële recht bepaalt welke feiten moet worden bewezen.
- Vb: art. 6:162 BW, onrechtmatige daad. Er moet onrechtmatigheid, schuld, schade
en causaal verband worden bewezen. Indien dit onvoldoende wordt gesteld kan
aanleg (pp. 297–310). Kluwer.
Bewijsbaarheid van de feiten is van groot belang voor het winnen of verliezen van een
zaak. Het is voor partijen dus belangrijk om hun bewijspositie duidelijk te hebben om
hun kansen af te wegen. Dit inzicht in de bewijspositie van partijen is extra duidelijk in
het huidige wetboek van burgerlijke rechtsvordering, doordat de DV-procedure zich
idealiter beperkt tot 1 schriftelijke ronde, waarna de comparitie na antwoord volgt en
vervolgens tot een (tussen)vonnis of een schikking.
Om 1 schriftelijke ronde mogelijk te maken heeft de wetgever extra zware eisen gesteld:
- in art. 111 lid 3 Rv aan de formulering van de grondslag van de vordering in de
dagvaarding.
- In art. 128 lid 5 Rv aan de motivering van het verweer in de conclusie van
antwoord.
In het bewijsrecht spelen in grote lijnen 3 vragen:
i. Welke feiten behoeven bewijs?
ii. Wie moet de (door hem gestelde) feiten bewijzen?
iii. Hoe kan het bewijs worden geleverd?
Het bewijsrecht voor DV-procedures is opgenomen in art. 149-207 Rv. Dit is grotendeels
ook van toepassing op VS-procedures dankzij de schakelbepaling in art. 284 Rv.
i. Welke feiten behoeven bewijs?
Op grond van art. 24 Rv wordt bepaald dat partijen de omvang van de rechtsstrijd
bepalen door de feitelijke grondslag die zij aan hun vordering of verweer geven en door
de feiten die zij stellen.
Art. 149 Rv de rechter die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag
leggen die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of die zijn gesteld (= Stelplicht) en
… zijn komen vast te staan.
Feiten komen vast te staan:
- indien zij door A zijn gesteld en door B niet voldoende zijn bewist
- indien zij zijn bewezen.
Taak van partijen is als volgt: eiser moet de feiten stellen waaruit het rechtsgevolg
waarop hij zich beroept voortvloeit. Gedaagde moet daartegenover de feiten stellen die
de grondslag vormen voor zijn verweer. Het verweer van gedaagde kan:
- betwistend zijn, “nee, want”.
- Bevrijdend zijn, “ja, maar”. (bijv. Een overmacht situatie)
Art. 25 Rv het is de rechter verboden de feiten en feitelijke grondslag aan te vullen. De
rechter heeft wel de verplichting om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen.
Het materiële recht bepaalt welke feiten moet worden bewezen.
- Vb: art. 6:162 BW, onrechtmatige daad. Er moet onrechtmatigheid, schuld, schade
en causaal verband worden bewezen. Indien dit onvoldoende wordt gesteld kan