Crisis: een periode waarin de groei van de productie voor langere tijd wordt verstoord
Adam Smith, een Schotste filosoof, wordt gezien als grondlegger van de economie als moderne
wetenschap. Hij geeft een onderbouwing van het liberale denken. De individu werd belangrijk ‘laat
elke individu zijn eigen belangen nastreven, dan zal iedereen zich hard inspannen en wordt de
welvaart van de hele samenleving het grootst.’
In zijn boek ‘The Wealth of Nations’ legt Smith uit hoe de overgang van een ambachtelijke naar een
industriële economie gepaard gaat met een enorme toename van de arbeidsproductiviteit. De hogere
arbeidsproductiviteit ontstaat door specialisatie, door Smith arbeidsdeling genoemd. De arbeiders
worden niet alleen handiger door het ontwikkelen van een routine, er gaat ook minder tijd verloren
met het voortdurend wisselen van taken. Bovendien zijn er meer mogelijkheden om machines te
gebruiken.
Smith beschrijft hoe de industriële productie met zijn arbeidsdeling leidt tot een ingewikkeld netwerk
van handelaars, leveranciers en afnemers, die van elkaar afhankelijk zijn. Deze schakels worden op
elkaar afgestemd door de markt; marktwerking stemt al deze leveranties op elkaar af.
Zowel consumenten als producenten zijn gericht op eigenbelang. Door het najagen van hun
eigenbelang wordt uiteindelijk de welvaart van de hele samenleving groter.
Om duidelijk te maken hoe het markmechanisme werkt, gebruikt Smith de metafoor ‘onzichtbare
hand’. Deze zorgt ervoor dat:
- Bedrijven, gedreven door onderlinge concurrentie, zullen leveren wat consumenten willen kopen
- Door de onderlinge concurrentie bedrijven geen woekerwinsten maken
- De hulpbronnen efficiënt worden ingezet voor die producten waaraan het meeste behoefte is
- Markten bewegen naar een evenwicht tussen vraag en aanbod
Zo probeert een onderneming zijn aanbodoverschot kwijt te raken door de prijzen te verlagen.
Hierdoor wordt aanbieden ontmoedigd en de vraag gestimuleerd. Dit gaat door tot het overschot is
verdwenen. Vraag en aanbod zijn dan weer in evenwicht. Dit wordt het marktmechanisme of
prijsmechanisme genoemd en dit mag niet gehinderd worden door de overheid.
Klassieke economen: economen die de visie van Adam Smith delen. Hun benadering is micro-
economische; de economie bestaat bij hen uit een groot aantal samenhangende markten. Volgens
deze economen leidt een vrij werking van het marktmechanisme tot evenwicht op alle markten wat
de beste garantie is voor een grote welvaart. Ingrijpen zou dit systeem alleen maar verstoren en zelfs
kunnen leiden tot een crisis. Mogelijke verantwoordelijke daarbij zijn: de overheid, vakbonden en
organisaties van ondernemers.
De overheid moet zich alleen bezig houden met zaken die niet aan de markt overgedragen kunnen
worden. Ze moeten zorgen voorveiligheid (justitie, politie, leger) en voor algemeen bestuur om de
bezittingen van de burgers te beschermen. Deze houding van de overheid staat bekend als liberaal.
De klassieke economen passen hun analyse toe op alle markten:
- Goederen- en dienstenmarkt: door prijsverandering zijn vraag en aanbod in evenwicht
- Arbeidsmarkt: door verandering in hoogte van het loon zijn vraag en aanbod in evenwicht.
Werkloosheid zal niet langdurig zijn als de arbeidsmarkt ongestoord kan functioneren.
- Vermogensmarkt: renteverandering zorgen ervoor dat vraag (investeringen) en het aanbod
(besparingen) in evenwicht zijn
- Valutamarkt: door verandering van wisselkoers ontstaat er een evenwicht
Krappe arbeidsmarkt: de vraag naar arbeid is hoger dan het aanbod. Dit kan opgelost worden door
het loon te verhogen. Hierdoor stijgt het aanbod en daalt de vraag
Volgens klassieken zullen ondernemingen hun productiecapaciteit steeds volledig benutten. Bij
volledige bezetting van de productiecapaciteit profiteren bedrijven maximaal van de schaalvoordelen
en is de kostprijs het laagst. De afzet is volgens de klassieken geen probleem, want produceren leidt
tot de vorming van inkomen. Een deel van het inkomen wordt geconsumeerd. De rest, het deel dat