Cogito
Hoofdstuk 2: Ethiek
Wat maakt iemand een goed of slecht persoon?
Hannah Arendt (1906-1975): bereikt groot publiek met haar beschrijving van het proces tegen
Eichmann, die als ambtenaar meewerkt aan deportatie joden WOII, zij beschrijft het ontbreken van
verantwoordelijkheidsgevoel bij Eichmann omdat hij alleen ordes uitvoerde, dit noemt ze de
banaliteit van het kwaad.
Stanley Milgram: vragen en stroomstoten experiment. Driekwart mensen gaat door tot de
maximale voltage, wat de dood van de ander zou betekenen, zijn dezen dan slechte mensen?
Ethiek --> ethos (gewoonte).
Moraal: geheel van waarden en normen in bepaalde cultuur. Morele oordelen hebben sterke
waardering en doen beroep op je gevoel.
Waarde: geeft aan wat men belangrijk vind, vormen kern v/d moraal. Bijv. Rechtvaardigheid,
eerlijkheid, respect. Niet-morele waarden: schoonheid.
Instrumentele: je gebruikt de waarde omdat je iets anders nastreeft
Intrinsieke waarde: de waarde is op zichzelf waardevol, wordt niet om iets anders
nagestreefd.
Normen: worden afgeleid uit waarden. Waarde: eerlijkheid --> norm: je mag niet liegen.
3 belangrijkste ethische theorieën:
1. Deugdethiek: "Hoe moet ik leven?". Gaat niet om formuleren van regels en die toepassen
op handelingen, maar het aanleren van een goede levenshouding. Aristoteles: deugd is
houding die ons in staat stelt om juist te handelen, overeenkomstig met belang van
gemeenschap. Mens ontwikkelt zich alleen met andere mensen om zich heen. Doel is het
bereiken van eudaimonia, het goede leven. Aristoteles' teleologische visie: alles in natuur
heeft een doel en streeft ernaar zo volmaakt mogelijk te worden. Gulden middenweg.
Praktische verstand is van belang in deugdethiek, daar wordt juiste midden mee gevonden.
Verder heb je theoretische wijsheid. Het goede en gelukkige leven vallen samen. Niet alleen
de mensen om je heen, maar ook jijzelf wordt er gelukkiger van. Willens en wetens kwaad
doen is onmogelijk volgens deugdethiek.
Kritiek: stuk minder duidelijk dan de andere twee, verder leven wij in andere omstandigheden dan
Aristoteles, verder geeft het een optimistisch of naïef mensbeeld: dat iedereen zou streven naar
goed en deugdelijk zijn.
2. Utilitarisme: hedonisme ligt ten grondslag aan het utilitarisme. Uitgangspunt: streven naar
zoveel mogelijk geluk, een handeling is goed als deze geluk oplevert. Jeremy Bentham
(1748-1832) stelt hoofdregel van utilitarisme op, de hedonistische calculus: Een handeling
is goed als deze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen oplevert. Ieder individu
is evenveel waard. Het doel heiligt de middelen.
John Stuart Mill (1806-1873): richt de 'Utilitaristische Vereniging' op. Hij voegt iets toe aan de
theorie van Bentham: bij bepalen van het nut van de handeling moet zowel met kwantiteit als met
kwaliteit van het geluk rekening gehouden worden. Mens zich niet tot dieren verlagen, beter een
Hoofdstuk 2: Ethiek
Wat maakt iemand een goed of slecht persoon?
Hannah Arendt (1906-1975): bereikt groot publiek met haar beschrijving van het proces tegen
Eichmann, die als ambtenaar meewerkt aan deportatie joden WOII, zij beschrijft het ontbreken van
verantwoordelijkheidsgevoel bij Eichmann omdat hij alleen ordes uitvoerde, dit noemt ze de
banaliteit van het kwaad.
Stanley Milgram: vragen en stroomstoten experiment. Driekwart mensen gaat door tot de
maximale voltage, wat de dood van de ander zou betekenen, zijn dezen dan slechte mensen?
Ethiek --> ethos (gewoonte).
Moraal: geheel van waarden en normen in bepaalde cultuur. Morele oordelen hebben sterke
waardering en doen beroep op je gevoel.
Waarde: geeft aan wat men belangrijk vind, vormen kern v/d moraal. Bijv. Rechtvaardigheid,
eerlijkheid, respect. Niet-morele waarden: schoonheid.
Instrumentele: je gebruikt de waarde omdat je iets anders nastreeft
Intrinsieke waarde: de waarde is op zichzelf waardevol, wordt niet om iets anders
nagestreefd.
Normen: worden afgeleid uit waarden. Waarde: eerlijkheid --> norm: je mag niet liegen.
3 belangrijkste ethische theorieën:
1. Deugdethiek: "Hoe moet ik leven?". Gaat niet om formuleren van regels en die toepassen
op handelingen, maar het aanleren van een goede levenshouding. Aristoteles: deugd is
houding die ons in staat stelt om juist te handelen, overeenkomstig met belang van
gemeenschap. Mens ontwikkelt zich alleen met andere mensen om zich heen. Doel is het
bereiken van eudaimonia, het goede leven. Aristoteles' teleologische visie: alles in natuur
heeft een doel en streeft ernaar zo volmaakt mogelijk te worden. Gulden middenweg.
Praktische verstand is van belang in deugdethiek, daar wordt juiste midden mee gevonden.
Verder heb je theoretische wijsheid. Het goede en gelukkige leven vallen samen. Niet alleen
de mensen om je heen, maar ook jijzelf wordt er gelukkiger van. Willens en wetens kwaad
doen is onmogelijk volgens deugdethiek.
Kritiek: stuk minder duidelijk dan de andere twee, verder leven wij in andere omstandigheden dan
Aristoteles, verder geeft het een optimistisch of naïef mensbeeld: dat iedereen zou streven naar
goed en deugdelijk zijn.
2. Utilitarisme: hedonisme ligt ten grondslag aan het utilitarisme. Uitgangspunt: streven naar
zoveel mogelijk geluk, een handeling is goed als deze geluk oplevert. Jeremy Bentham
(1748-1832) stelt hoofdregel van utilitarisme op, de hedonistische calculus: Een handeling
is goed als deze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen oplevert. Ieder individu
is evenveel waard. Het doel heiligt de middelen.
John Stuart Mill (1806-1873): richt de 'Utilitaristische Vereniging' op. Hij voegt iets toe aan de
theorie van Bentham: bij bepalen van het nut van de handeling moet zowel met kwantiteit als met
kwaliteit van het geluk rekening gehouden worden. Mens zich niet tot dieren verlagen, beter een