KT. 4 overhoring
door: A.C. Moekoet
75 overhoring vragen KT.4
> 20 vragen over: Themaweek en Casus 1 deel 1 - Noor
1) ………….. is het vermogen om je eigen leven en noodzakelijke ondersteuning te regelen
en het praktische vermogen om jezelf te redden in lichamelijk, sociaal en psychisch opzicht.
Het gaat om het zelf beslissen over je leven en zorg en ondersteuning daarbij.
A. Zelfredzaamheid
B. Eigen Regie
C. Zelfmanagement
2) Het 5A-model is een methodische manier om zelfmanagement te ondersteunen. Dit staat
voor: ………………………………………………………………………… (open vraag)
3) Wat heeft de patiënt nodig om zelfmanagement te kunnen uitvoeren? Meerdere
antwoorden kunnen juist zijn.
A. Kennis en vaardigheden
B. Motivatie
C. Mogelijkheden
D. Alle bovenstaande
4) Aan welke vier eisen moet een kwalitatief onderzoek voldoen?
A. Significantie
B. Verifieerbaarheid
C. Randomisatie
D. Plausibiliteit
E. Geloofwaardigheid
F. Verplaatsbaarheid
G. Causaliteit
5) Wat is NIET een kenmerk van kwalitatief onderzoek:
A. Gebaseerd op betekenissen die in woorden worden uitgedrukt.
B. Analyse wordt uitgevoerd door middel van conceptualisatie.
C. Verzamelen resulteert in numerieke en gestandaardiseerde gegevens.
6) Welke onderzoeksmethode (kwantitatief of kwalitatief) hoort bij welk kenmerk:
A. Omschrijft de aard van een fenomeen kwantitatief / kwalitatief
B. Omschrijft het voorkomen van een fenomeen kwantitatief / kwalitatief
C. Reductionistisch uitgangspunt kwantitatief / kwalitatief
D. Holistisch uitgangspunt kwantitatief / kwalitatief
7) Welke twee beïnvloedingstactieken volgens Yukl et al. (2008) zorgen voor steun & actieve
betrokkenheid én zorgen voor het ontwikkelen of het vergroten van het vertrouwen?
A. Coalities sluiten
B. Voordeel tonen
C. Consulteren
D. Inspireren
, KT. 4 overhoring
door: A.C. Moekoet
8) Bij epidemiologie gaat het o.a. om het nader bekijken van factoren die van invloed zijn op
het vóórkomen van de betreffende ziekte. Hoe noemen we dit?
A. Etiologische factoren
B. Prognostische factoren
C. Etiologische en prognostische factoren
9) Wat moet er staan bij A, B, C en D ………………………. (open vraag)
A.
B. C.
D.
10) Welke stellingen over het ICF-model zijn juist? (Meerdere antwoorden zijn juist)
A. Bij het ICF-model wordt gezondheid bekeken vanuit het biopsychosociaal model
B. ICF staat voor International Classification of Functioning, Disability and Health
C. De ICF wordt niet gebruikt voor het meten van gezondheid en
gezondheidsproblemen op populatieniveau
D. De ICF wordt gebruikt als een planningsinstrument voor het nemen van beslissingen
in de gezondheidszorg
11) Welke handeling voer je (wanneer nodig) uit bij welk onderdeel van de ABCDE
methodiek?
Handelingen: | 1. pijnprikkel toepassen | 2. bloedglucosewaarde meten | 3. headtilt-chinlift |
4. bloeddruk meten | 5. saturatie meten | 6. pols voelen en beoordelen | 7. AVPU bepalen |
8. temperatuur meten | 9. AMPLE uitvragen | 10. bloeding stelpen | 11. ademhalings-
frequentie benoemen | 12. pijnscore meten (VAS) | 13. zuurstof toedienen | 14. huidskleur
beoordelen | 15. capillaire refill tijd | 16. pupilreflex controleren | 17. gebruik van de AED
defibrillator |
A. Airway:
B. Breathing:
C. Circulation:
D. Disability:
E. Exposure:
12) Een shock waarbij de oorzaak een te gering bloedvolume is, noemen we:
, KT. 4 overhoring
door: A.C. Moekoet
A. Hypovolemische shock
B. Cardiogene shock
C. Vasodilatoire shock
13) Op welke orgaansystemen uit de orgaansystemen van Bakker heeft Diabetes Mellitus
invloed? (meerdere antwoorden zijn juist)
A. Vocht- en elektrolytenbalans
B. Digestief systeem
C. Endocrien systeem
14) Wat zijn de vier achterliggende drijfveren, ofwel spirit, achter Motiverende
Gespreksvoering?
A. Compassie, Reflecteren, Samenvatten, Aanzetten
B. Compassie, Samenwerken, Acceptatie, Ontlokken
C. Respect, Ambivalentie, Luisteren, Adviseren
15) Welke uitspraak is niet correct m.b.t. obesitas:
A. Obese kinderen worden vaak obese volwassenen.
B. Vanaf een gewichtsvermindering van 20% is er aanzienlijk gezondheidswinst.
C. Volwassenen met obesitas hebben een verminderde levensverwachting.
16) Als de pH waarde van het bloed onder de <7,35 is, …
A. is er sprake van acidose / alkalose
B. en dat betekent dus dat het bloed te zuur / te basisch is.
17) Wat is kenmerkend voor welk ziektebeeld?
A. Gebruik van Metformine DM type 1 / DM type 2 / Allebei
B. Risico op neuropathie DM type 1 / DM type 2 / Allebei
C. Risico op ketoacidose DM type 1 / DM type 2 / Allebei
18) De manier van coderen waarbij het beginpunt een bestaande theorie is en wordt gewerkt
naar een vaststelling toe betreft een:
A. Inductieve benadering
B. Deductieve benadering
19) Welk meetinstrument heeft geen betrekking op de subjectieve evaluatie van de kwaliteit
van leven:
A. SNAQ
B. QALY´s
C. DALY´s
D. ADL-maten
20) Wat zijn de belangrijkste bijwerkingen van antipsychotica: (Meerdere antwoorden zijn
juist)
A. Hyperactiviteit
B. Seksuele bijwerkingen
C. Bewegingsstoornissen
D. Metabole stoornissen
door: A.C. Moekoet
75 overhoring vragen KT.4
> 20 vragen over: Themaweek en Casus 1 deel 1 - Noor
1) ………….. is het vermogen om je eigen leven en noodzakelijke ondersteuning te regelen
en het praktische vermogen om jezelf te redden in lichamelijk, sociaal en psychisch opzicht.
Het gaat om het zelf beslissen over je leven en zorg en ondersteuning daarbij.
A. Zelfredzaamheid
B. Eigen Regie
C. Zelfmanagement
2) Het 5A-model is een methodische manier om zelfmanagement te ondersteunen. Dit staat
voor: ………………………………………………………………………… (open vraag)
3) Wat heeft de patiënt nodig om zelfmanagement te kunnen uitvoeren? Meerdere
antwoorden kunnen juist zijn.
A. Kennis en vaardigheden
B. Motivatie
C. Mogelijkheden
D. Alle bovenstaande
4) Aan welke vier eisen moet een kwalitatief onderzoek voldoen?
A. Significantie
B. Verifieerbaarheid
C. Randomisatie
D. Plausibiliteit
E. Geloofwaardigheid
F. Verplaatsbaarheid
G. Causaliteit
5) Wat is NIET een kenmerk van kwalitatief onderzoek:
A. Gebaseerd op betekenissen die in woorden worden uitgedrukt.
B. Analyse wordt uitgevoerd door middel van conceptualisatie.
C. Verzamelen resulteert in numerieke en gestandaardiseerde gegevens.
6) Welke onderzoeksmethode (kwantitatief of kwalitatief) hoort bij welk kenmerk:
A. Omschrijft de aard van een fenomeen kwantitatief / kwalitatief
B. Omschrijft het voorkomen van een fenomeen kwantitatief / kwalitatief
C. Reductionistisch uitgangspunt kwantitatief / kwalitatief
D. Holistisch uitgangspunt kwantitatief / kwalitatief
7) Welke twee beïnvloedingstactieken volgens Yukl et al. (2008) zorgen voor steun & actieve
betrokkenheid én zorgen voor het ontwikkelen of het vergroten van het vertrouwen?
A. Coalities sluiten
B. Voordeel tonen
C. Consulteren
D. Inspireren
, KT. 4 overhoring
door: A.C. Moekoet
8) Bij epidemiologie gaat het o.a. om het nader bekijken van factoren die van invloed zijn op
het vóórkomen van de betreffende ziekte. Hoe noemen we dit?
A. Etiologische factoren
B. Prognostische factoren
C. Etiologische en prognostische factoren
9) Wat moet er staan bij A, B, C en D ………………………. (open vraag)
A.
B. C.
D.
10) Welke stellingen over het ICF-model zijn juist? (Meerdere antwoorden zijn juist)
A. Bij het ICF-model wordt gezondheid bekeken vanuit het biopsychosociaal model
B. ICF staat voor International Classification of Functioning, Disability and Health
C. De ICF wordt niet gebruikt voor het meten van gezondheid en
gezondheidsproblemen op populatieniveau
D. De ICF wordt gebruikt als een planningsinstrument voor het nemen van beslissingen
in de gezondheidszorg
11) Welke handeling voer je (wanneer nodig) uit bij welk onderdeel van de ABCDE
methodiek?
Handelingen: | 1. pijnprikkel toepassen | 2. bloedglucosewaarde meten | 3. headtilt-chinlift |
4. bloeddruk meten | 5. saturatie meten | 6. pols voelen en beoordelen | 7. AVPU bepalen |
8. temperatuur meten | 9. AMPLE uitvragen | 10. bloeding stelpen | 11. ademhalings-
frequentie benoemen | 12. pijnscore meten (VAS) | 13. zuurstof toedienen | 14. huidskleur
beoordelen | 15. capillaire refill tijd | 16. pupilreflex controleren | 17. gebruik van de AED
defibrillator |
A. Airway:
B. Breathing:
C. Circulation:
D. Disability:
E. Exposure:
12) Een shock waarbij de oorzaak een te gering bloedvolume is, noemen we:
, KT. 4 overhoring
door: A.C. Moekoet
A. Hypovolemische shock
B. Cardiogene shock
C. Vasodilatoire shock
13) Op welke orgaansystemen uit de orgaansystemen van Bakker heeft Diabetes Mellitus
invloed? (meerdere antwoorden zijn juist)
A. Vocht- en elektrolytenbalans
B. Digestief systeem
C. Endocrien systeem
14) Wat zijn de vier achterliggende drijfveren, ofwel spirit, achter Motiverende
Gespreksvoering?
A. Compassie, Reflecteren, Samenvatten, Aanzetten
B. Compassie, Samenwerken, Acceptatie, Ontlokken
C. Respect, Ambivalentie, Luisteren, Adviseren
15) Welke uitspraak is niet correct m.b.t. obesitas:
A. Obese kinderen worden vaak obese volwassenen.
B. Vanaf een gewichtsvermindering van 20% is er aanzienlijk gezondheidswinst.
C. Volwassenen met obesitas hebben een verminderde levensverwachting.
16) Als de pH waarde van het bloed onder de <7,35 is, …
A. is er sprake van acidose / alkalose
B. en dat betekent dus dat het bloed te zuur / te basisch is.
17) Wat is kenmerkend voor welk ziektebeeld?
A. Gebruik van Metformine DM type 1 / DM type 2 / Allebei
B. Risico op neuropathie DM type 1 / DM type 2 / Allebei
C. Risico op ketoacidose DM type 1 / DM type 2 / Allebei
18) De manier van coderen waarbij het beginpunt een bestaande theorie is en wordt gewerkt
naar een vaststelling toe betreft een:
A. Inductieve benadering
B. Deductieve benadering
19) Welk meetinstrument heeft geen betrekking op de subjectieve evaluatie van de kwaliteit
van leven:
A. SNAQ
B. QALY´s
C. DALY´s
D. ADL-maten
20) Wat zijn de belangrijkste bijwerkingen van antipsychotica: (Meerdere antwoorden zijn
juist)
A. Hyperactiviteit
B. Seksuele bijwerkingen
C. Bewegingsstoornissen
D. Metabole stoornissen