Psychological Science Michael S. Gazzaniga
Hoofdstuk 5. Sensation and Perception
Belangrijke begrippen + Samenvatting
, Hoofdstuk 5. Sensation and Perception
Sensation: het detecteren van externe prikkels en het doorgeven van deze informatie aan de
hersenen
Perception: de verwerking, organisatie en interpretatie van zintuiglijke signalen
Bottum-up processing: perceptie op basis van de fysieke kenmerken van de stimulus
Top-down processing: hoe kennis, verwachtingen of ervaringen uit het verleden de interpretatie van
zintuiglijke informatie vormgeven
Transduction: het proces waarbij zintuiglijke prikkels worden omgezet in signalen die de hersenen
kunnen interpreteren
Absolute threshold: de minimale intensiteit van stimulatie die moet plaatsvinden voordat je een
sensatie ervaart
Difference threshold: de minimale hoeveelheid verandering die een person nodig heeft om een
verschil tussen twee stimuli te detecteren
Signal detection theory (SDT): een perceptietheorie gebaseerd op het idee dat de detectie van een
stimulus een oordeel vereist – het is geen alles-of-niets-proces
Sensory adaptation: een afname van de gevoeligheid voor een constant niveau van stimulatie
Retina: het dunne binnenoppervlak van de achterkant van de oogbol; het bevat de sensorische
receptoren die licht omzetten in neurale signalen
Rods (staven): netvliescellen die reageren op lage lichtniveaus en resulteren in zwart-witperceptie
Cones (kegels): retinale cellen die reageren op hogere lichtniveaus en resulteren in kleurperceptie
Fovea: het centrum van het netvlies, waar kegels dicht opeengepakt zijn
Binocular depth cues: aanwijzingen voor dieptewaarneming die voortkomen uit het feit dat mensen
twee ogen hebben
Monocular depth cues: aanwijzingen voor dieptewaarneming die alleen voor elk oog beschikbaar zijn
Binocular disparity: een diepte-aanwijzing; vanwege de afstand tussen de twee ogen, krijgt elk oog
een iets andere netvlies afbeelding
Convergence: een signaal van binoculaire dieptewaarneming; wanneer een persoon een object in de
buurt bekijkt, draaien de oogspieren de ogen naar binnen
Object constancy: objecten correct waarnemen als constant in hun vorm, grootte, kleur en lichtheid,
ondanks ruwe sensorische gegevens die de waarneming zouden kunnen misleiden
Audition: gehoor; het gevoel van geluidsperceptie
Hoofdstuk 5. Sensation and Perception
Belangrijke begrippen + Samenvatting
, Hoofdstuk 5. Sensation and Perception
Sensation: het detecteren van externe prikkels en het doorgeven van deze informatie aan de
hersenen
Perception: de verwerking, organisatie en interpretatie van zintuiglijke signalen
Bottum-up processing: perceptie op basis van de fysieke kenmerken van de stimulus
Top-down processing: hoe kennis, verwachtingen of ervaringen uit het verleden de interpretatie van
zintuiglijke informatie vormgeven
Transduction: het proces waarbij zintuiglijke prikkels worden omgezet in signalen die de hersenen
kunnen interpreteren
Absolute threshold: de minimale intensiteit van stimulatie die moet plaatsvinden voordat je een
sensatie ervaart
Difference threshold: de minimale hoeveelheid verandering die een person nodig heeft om een
verschil tussen twee stimuli te detecteren
Signal detection theory (SDT): een perceptietheorie gebaseerd op het idee dat de detectie van een
stimulus een oordeel vereist – het is geen alles-of-niets-proces
Sensory adaptation: een afname van de gevoeligheid voor een constant niveau van stimulatie
Retina: het dunne binnenoppervlak van de achterkant van de oogbol; het bevat de sensorische
receptoren die licht omzetten in neurale signalen
Rods (staven): netvliescellen die reageren op lage lichtniveaus en resulteren in zwart-witperceptie
Cones (kegels): retinale cellen die reageren op hogere lichtniveaus en resulteren in kleurperceptie
Fovea: het centrum van het netvlies, waar kegels dicht opeengepakt zijn
Binocular depth cues: aanwijzingen voor dieptewaarneming die voortkomen uit het feit dat mensen
twee ogen hebben
Monocular depth cues: aanwijzingen voor dieptewaarneming die alleen voor elk oog beschikbaar zijn
Binocular disparity: een diepte-aanwijzing; vanwege de afstand tussen de twee ogen, krijgt elk oog
een iets andere netvlies afbeelding
Convergence: een signaal van binoculaire dieptewaarneming; wanneer een persoon een object in de
buurt bekijkt, draaien de oogspieren de ogen naar binnen
Object constancy: objecten correct waarnemen als constant in hun vorm, grootte, kleur en lichtheid,
ondanks ruwe sensorische gegevens die de waarneming zouden kunnen misleiden
Audition: gehoor; het gevoel van geluidsperceptie