Week 1 – Inleiding historie, werking en bronnen van
staatsrecht
Kernbegrippen:
- Legaliteitsbeginsel
- Machtsverdeling
- Onafhankelijk rechtspraak
- Grondrechten
- Democratie: zonder democratie geen rechtsstaat
Staatsrecht= regels over de organisatie van de overheid en fundamentele normen over de
verhouding met de overheid
Functies van staatsrecht
- Constitueren= organen in het leven
- Atrribueren= het toekennen van bevoegdheden aan de organen die al geinstalleerd zijn
- Reguleren= een evenwichtige samenwerking tussen de organen
Vereisten staat:
- Natie (volk wat een gemeenschap vormt)
- Territoir (grondgebied met duidelijke grenzen)
- Externe soevereiniteit (erkenning andere staten)
- Interne soevereiniteit (effectief gezag)
- Failed states -> geen effectief gezag vd overheid
Macht= geeft de mogelijkheid om andere ergens toe te dwingen
Gezag= macht die als legitiem wordt beschouwd -> meestal door procedures verkregen macht is
gezag
3 factoren die ervoor zorgen dat macht -> gezag word
1. Charisma
2. Traditie (is gewoon zo want was altijd al zo)
3. ‘Het werkt’ -> mensen weten dat het emaal nodig is
- Met minimale macht maximaal gezag organiseren
De materiele constitutie= houdt het geheel van regels in, veel meer dan alleen de Gw ook algemene
beginselen
Formele constitutie= de bronnen waaruit informatie geput kan kan worden hoe een staat eruit ziet
op papier NL (Gw, Statuut voor het Koninkrijk, Organieke wetten, Internationale regels, AmvB,
Conventies(normen die je niet kan schenden), Regelementen van Orde (werken intern),
Ongeschreven staatsrecht)
- Macht is niet persoonlijk, maar gebonden aan de Gw (denk aan koning)
1
,Rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel
2. Machtsverdeling
3. Rechterlijke controle
4. Grondrechten
Positievering= alle beperkingen die aan burgers worden opgelegd moeten in de wet zijn vastgelegd
Trias politica
- Scheiding in functies: Wetgevende macht (Staten-Generaal), Uitvoerende macht (regering),
Rechtsprekende macht (rechters)
- Scheiding in instituties: bestuur, wetgever, rechterlijke macht
- Scheiding in personen: ministers, Kamerleden en rechters
Checks and balances= systeem waarbij overheidsbevoegdheden over verschillende organen worden
verspreid, ieder orgaan is bij de uitoefening van zijn bevoegdheden verantwoording verschuldigd aan
een ander orgaan (wederzijds controleren) Ze houden elkaar in evenwicht
- In NL overlappen de wetgevende en de uitvoerende macht (regering) en wetgevende macht
(ook regering) ook zit OM soms op de stoel van de rechter
Klassieke grondrechten= beschermen de burger tegen overheid -> mag bepaalde dingen niet
(Gw, mensenrechten)
Sociale grondrechten= de overheid is verplicht dingen te regelen voor burger
Werkgroep 1
Constitutie= geheel van (on)geschreven regels en beginselen waarin het staatsbestel is geregeld
Soevereiniteit= het hebben van de hoogste rechtmacht dat betekent dat een staat niet gebonden is
aan door andere gestelde rechtsregels
Rechtsstaat= staat waarin de overheid gebonden is aan het recht
- Legaliteit: democratisch aspect van wetgeving
- Machtenspreiding: verdeling van macht tegen dictatuur
- Grondrechten: bescherming van minderheden
- Onafhankelijke rechter: er moet een derde zijn die toeziet op machtsuitoefening overheid
2 grondregels rechtsstaat:
1. Geen bevoegdheid zonder grondslag in de wet (Legaliteit)
2. Geen bevoegdheidsuitoefening zonder controle of verantwoording
Normenhierarchie= Grondwet(gever)->Formelewet(gever)->AmvB/Ministriele regeling
Delegatierminologie= wanneer een bevoegd orgaan zijn bevoegheden overdraagt aan een ander
orgaan -> alleen als er een wettelijke grondslag voor is
Literatuur van week 1
Rechtsgemeenschap= rechtsregels die binnen een gemeenschap gelden en met dwang kunnen
worden gehandhaafd
2
, Sociaal contract (Rousseau)= gezag is uit vrijheid afgeleid. De burger accepteren gedrag in ruil voor
veiligheid en vrijheid
- Gezagshebbers zullen altijd vinden dat zij hun taak goed doen -> duiden geen kritiek -> altijd
risico op dictatuur -> dus gezag verdelen
The rule of law (engeland)= legaliteitsbeginsel staat niet in de Gw want die hebben ze niet
Verantwoordingsplichten:
Politieke verantwoordingsplicht= van bestuurlijke organen tegenover vertegenwoordigende
organen: ministers moeten zich verantwoorden tegen over parlement, Gedeputeerde Staten tegen
over Provinciale Staten en college van Burgermeester tegenover Wethouders en Gemeente Raad
Ambtelijke ondergeschiktheid= ambtenaren zijn verantwoording verschuldig aan hun baas
Bestuurlijk toezicht= bestuursorgaan word gecontroleerd door een hoger bestuursorgaan ->
Preventief toezicht= goedkeuring vragen, Repressief toezicht= achteraf ongedaan maken
Strafrechterlijke verantwoordelijkheid= een gezagsdrager kan strafrechterlijk vervolgd worden voor
zijn daden
Beroep= meeste besluiten van bestuursorganen zijn vatbaar voor beroep -> aanvraag aanpassing of
vernietig ging besluit via rechter
Burgerlijke rechter= kan ambtshandelingen testen aan de wet (schadevergoedingen)
Rechterlijke toetsing van wetgreving= art.120 GW rechter mag wifz niet toetsen aan de GW wel aan
verdragen art. 94
Bronnen van staatsrecht:
1. Grondwet
2. Gewoonterechtelijke regels
3. Wetten
4. AmvB’s
- Eerste Nederlandse staatsregeling: Unie van Utrecht 1579
Rigid constitution= de grondwet is moeilijker te wijzigen dan een normale wet -> zou kunnen zorgen
voor kloof tussen rechtsbewustzijn en geschreven tekst
Flexible constitution= VK -> geen geschreven grondwet dus gewoon via normale wet wijzigen
Vertrouwensregel is ongeschreven constitutioneel recht
Inhoud Grondwet:
H1: Opsomming Grondrechten
H2,3,4: Omschrijving voornaamste organen staat
H5: Functies vd organen
H6: Rechtspraak
H7: Regels Provincies, Gemeente, Waterschappen ect
H8: Regels Herziening Grondwet
- Sommige sociale grondrechten zijn alleen voor Nederlanders
Terretoriale werking van het staatsrecht= geld alleen op het terretorium vd staat -> uitzondering:
nederlanders in het buitenland
3