Politieke geschiedenis van België
Vubrechten
, Begrippen Politieke geschiedenis België 2016/2017
Begrippen politiek geschiedenis van België (hoofdstuk 1 t.e.m. hoofdstuk 3)
Hoofdstuk 1: Burgerlijke, parlementaire constitutionele staat (1830-1848)
1.1. Context revolutie
1. Unionisme
= Unie van de liberalen en de katholieken die in verzet ging tegen de regering van Willem I. Latere
regeringen van katholieken en liberalen werden ook unionistische regeringen genoemd die de steun
genoten van Leopold I. Initieel was het niet hun bedoeling om een afscheuring van de zuidelijke
provincies uit te lokken: ze streefden eigenlijk naar een minder gecentraliseerde Nederlandse staat,
naar een afbouw van het Nederlandse protestantisme en naar een bestuurlijke scheiding van Noord
en Zuid. Uiteindelijk mondde dit uit in de Belgische revolutie.
2. Ancien Régime
Het absolute regeren van de Franse heersers van voor de Franse revolutie. Ancien régime = oud
bestuur.
3. Verlicht despotisme
Willem I was een verlichte despoot. Dit wil zeggen dat bepaalde vorsten bereid waren om sommige
ideeën van de Verlichting uit te voeren maar de vorst hield de macht wel nog steeds in handen.
Deels stimuleerden ze het vooruitgangsidee. Willem I wilde bijvoorbeeld de economie van een
landbouweconomie naar een industriële economie laten evolueren maar dit stuitte op veel verzet.
4. Burgerlijk
Macht ligt bij burgerij en is o.b.v. liberale waarden vastgesteld.
5. Constitutioneel
De Koning is gebonden aan de Grondwet die door het Nationaal Congres werd ingevoerd.
6. Parlementair
Beperkte macht wordt gegeven aan de koning.
7. Volkssoevereinteit
De macht moet geconcentreerd zijn bij het volk. Dit principe werd overgenomen door Jean-Jaques
Rousseau.
8. Monsterverbond
Betreffende een verbond gesloten in 1827 tussen de christenen en de liberalen met de bedoeling
de macht van Willem I in te perken. Hiervoor gingen beide partijen samenwerken met als
gemeenschappelijk doel zich niet te moeten onderwerpen aan de Nederlandse Staat.
9. Adel
Sociaal of juridische afgebakende groep mensen die een sociaal bevoorrechte positie innam.
10. Clerus
Het geheel van geestelijken. Deze hebben meestal de functie tot het onderrichten van religie of het
uitoefenen van religieuze beroepsfuncties.
11. Landbouweconomie
Een samenlevingsvorm waarbij landbouw voor een bepaalde gemeenschap de belangrijkste bron
van inkomsten bedraagt.
12. Industrieel kapitalisme
Een vorm van kapitalisme gebaseerd op industriële productie, waarbij industriële ondernemers
ernaar streven hun winst te maximaliseren door hun goederen tegen zo laag mogelijke kosten te
Pagina 2 van 18