Artikelen
De behandeling van niet-carieuze cervicale laesies: wanneer, waarom en hoe?
Intro
• Niet-carieuze cervicale laesies (NCCL's): het verlies van hard tandweefsel in de cement-glazuurgrens (CEJ) van tanden
door pathologische processen die geen verband houden met cariës. Komt steeds vaker voor.
• Doel artikel: up-to-date overzicht geven van de prevalentie, het uiterlijk en de etiologie van NCCL’s + de
behandelmogelijkheden bespreken o.b.v. de huidige kennis.
Prevalentie
• De prevalentie, ernst en progressie van NCCLs neemt toe met de leeftijd. Dat komt door:
o De zich uitbreidende blootstelling aan etiologische factoren.
o De verhoogde stroming van gingivale recessie en botverlies met meer blootstelling aan het worteloppervlak
(à waardoor meer risico op cervicale laesies).
o De verminderde kwantiteit en kwaliteit van speeksel.
o De verandering in samenstelling en microstructuur van glazuur en dentine.
• NCCLs bevinden zich bijna altijd labiaal/buccaal, zelden linguaal/palatinaal en zeer zelden approximaal.
• Premolaren hebben de hoogste laesiefrequentie.
• De mandibulaire premolaren hebben het hoogste % ernstige laesies.
Uiterlijk
• Het klinische uiterlijk varieert.
• Verband tussen morfologische kenmerken en belangrijkste etiologische factor:
o Laesies door erosie à schijfvormig, breed en ondiep met slecht gedefinieerde randen en aangrenzende gladde
glazuurranden.
§ Vaak overgevoeligheid van tanden (klacht) + blootstelling aan dentinetubuli en corrosie van de
glazuurstaaf.
o Laesies door schurende krachten à scherp gedefinieerde randen + hard oppervlak met krassporen.
o Laesies door combi van slijtage en erosie à U-vorm.
o Laesies door abfractie t.g.v. abnormale occlusale belasting à wigvormig, met scherpe interne en externe
lijnhoeken + een apicale omvang t.o.v. de CEJ.
• De etiologie van NCCLs is multifactorieel à vaak een combi van bovenstaande vormen.
• Ontwikkeling van NCCLs is een langzaam proces à daardoor pulparetractie, sclerose en dentinegevoeligheid.
Etiologie
• NCCLs’ zijn het gevolg van een combi van de volgende factoren.
o Biocorrosie (erosie)
o Frictie (abrasie)
o Occlusale spanning (abfractie)
• Risicofactoren:
o Speeksel
o Tandvorm
o Samenstelling
o Microstructuur
o Mobiliteit
o Positionele prominentie
, o Aanwezigheid van restauraties
o Grootte
o Richting
o Frequentie
o Plaats
o Duur van de uitgeoefende kracht
Biocorrosie (erosie)
• Erosie treedt op door extrinsieke zuren (zure voedingsmiddelen en dranken, zure mondspoeling, zure medicatie) en/of
intrinsieke zuren (maagzuur).
• Risicofactoren:
o Samenstelling en frequentie van zuurinname
o Positie en vorm van tanden in de tandboog
o Aanwezigheid van gingivarecessie
o Speeksel (pH, viscositeit, vloed, samenstelling, buffercapaciteit)
§ Ionen kunnen zorgen voor remineralisatie bij gedemineraliseerde tandstructuren à remming van
NCCL-ontwikkeling.
• Vaker op faciale oppervlakken (met muceus speeksel) dan op linguale oppervlakken (met sereus speeksel) à sereus
speeksel heeft hogere buffercapaciteit à meer remineralisatie en bufferen van zuren.
• Bij xerostomie + uitdroging door zweten bij lichamelijke activiteit à verminderde speekselvloed en dus minder
buffering van zuren.
Frictie (abrasie)
• Abrasie = gevolg van mechanisch proces waarbij vreemde voorwerpen betrokken zijn.
• Etiologische factoren:
o Schurende tandpasta
o Onjuist tandenpoetsen (horizontale techniek + overmatige kracht)
o Poetsfrequentie
o Stijve borstelharen
o Voedingsgewoonte.
o
• Risicofactoren:
o Grootte, richting, frequentie en duur van de kracht
o Prominente positie van de tand in de boog (à vatbaarder voor overmatige krachten bij tandenpoetsen)
o Gingivarecessie
• NCCLs ontstaan niet uitsluitend door abrasie.
Spanning (abfractie)
• Abfractie: het ontstaan van trekspanning doordat het cervicale gebied v/d tand een draaipunt wordt tijdens occlusale
functie, bruxisme en parafunctionele activiteit à kristalstructuur van het glazuur en dentine wordt verstoord door
cyclische vermoeidheid à glazuur breekt los bij cervicale rand à dentine geleidelijk zichtbaar à proces gaat door.
• Veel onderzoeken spreken over een correlatie tussen occlusie en NCCLs
o Twee onderzoeken echter niet à mogelijk door grote heterogeniteit, gebrek aan standaardisatie, verschil in
diagnoses van NCCls
• Risicofactoren:
o Resulterende spanning à wordt bepaald door:
§ Grootte, richting, frequentie, plaats en duur van een kracht + oriëntatie van de kracht t.o.v. de
hoofdassen van de tand en diens vorm, samenstelling stabiliteit.
o Mobiliteit van de tand (parodontaal ligament heeft een dempend effect).
§ Als mobiliteit toeneemt, nemen NCCIs af = negatieve correlatie.
o Aanwezigheid van een occlusale restauratie (heeft een verzwakkend effect)