Inleiding
Middeleeuwen: periode tussen uiteenvallen West-Romeinse Rijk en renaissance
Kenmerken:
- Germaanse stammen > christendom
- Paus werd leider van kerk
- Chaos
- Karel de Grote; bracht orde in chaos
Begin middeleeuwen:
- Mensen leefden als boeren op platteland
- De Kerk had veel invloed
- Gelovigen moesten zich richten op hiernamaals
- Augustinus; na de wederkomst van Christus zou op de aarde een ‘godsstaat’
komen
- Ora et labora: bidden en werken, terugtrekken in kloosters
- Pelgrimstochten naar heilige plaatsen (avontuur en handel speelden ook een
rol)
- Relikwieën van heiligen werden meegenomen
- Samenleving ingedeeld in standen:
1. Geestelijken (godsdienst, onderwijs en wetenschap)
2. Adel (anderen beschermen)
3. Boeren
- Feodale stelsel = adel leent grond uit aan boeren die een gedeelte van de
opbrengst aan leenman moeten geven
Economische bloei markeerde begin van hoge middeleeuwen.
Gilden = groepen burgers met hetzelfde beroep
Hoge middeleeuwen:
- Economische bloei
- Gilden
- Handel
- 1350: de pest: een derde van de bevolking overleed
- Opleving van culturele klimaat
- Thomas van Aquino ontwikkelde zijn theologie
- Kerkarchitectuur werd belangrijkste kunstvorm
- 1000: romaanse bouwstijl = dikke muren, kleine rondboogvensters, donker
- 12e eeuw: gotische bouwstijl = rank, licht, luchtbogen, hoog, slank, veel glas,
hoge muren, glas-in-loodramen, goddelijk licht > alles op God gericht
- Toneel: liturgische gezangen werden hele toneelstukken
- Dans: agrarische karakter van de samenleving
De kerk
Christendom, Jodendom en Islam
Kern christendom: de mens die gelooft in Christus mag hopen op een eeuwig leven
na zijn dood in het hiernamaals
Na ineenstorten Romeinse Rijk, groeiden Bryzantijnse rijk en Latijns-christelijke
West-Europa steeds meer uit elkaar