Stof: Hoorcollege 1, 2 en hoofdstukken 1, 2, 4 en 8 van Smith et al. (2013)
Naam student: Eleonora Kerstens (4112164)
Werkgroep: 1
Instructie: Het is de bedoeling dat je de onderstaande vragen zo goed mogelijk
beantwoordt. Volsta niet met één of twee zinnen, maar probeer echt een redenering
te maken. Deze week maak je deze vragen individueel en hoef je ze niet in te leveren
op Blackboard. In plaats daarvan mail je je antwoorden naar je werkgroep docent.
Je hebt hiervoor de tijd tot vrijdag 25 november 13.00 uur. Vergeet niet een
exemplaar mee te nemen naar de werkgroep.
Vraag 1
Wat is volgens crosscultureel psychologen de grootste beperking van de reguliere
(mainstream) psychologie (zie o.a. hoofdstuk 1)? Leg uit waarom dit zo is.
Een van de allergrootste bezwaren is dat de mainstream psychologie een westerse
psychologie is (WEIRD: western: educated, industrialised, rich and democratic). De
psychologie is dus niet generaliseerbaar, terwijl hij juist wel beoogt uitspraken te doen
over mensen in het algemeen.
Veronderstelling (zonder toetsing) dat processen gevonden in (vaak Westerse) cultuur
A op tijd T gegeneraliseerd kunnen worden naar andere culturen op verschillende
tijden.
Vraag 2
In het eerste college zijn drie posities besproken: absolutisme, relativisme en
universalisme. Leg uit hoe deze posities zich verhouden tot het begrip crossculturele
invaliditeit.
1. Absolutisme: het is zinvol om mensen uit verschillende culturen te vergelijken
omdat psychologische verschijnselen overal hetzelfde zijn. Dit is problematisch,
want het is methodologisch onjuist. Bijv bij intelligentietest die bij twee culturen
worden afgenomen, maar uitkomst kunnen biased zijn omdat iedereen een test
anders opneemt.
2. Relativisme: Psychologische processen zijn overal anders, die zijn bepaald door
cultuur. Metingen van concepten zijn altijd crosscultureel invalide: een
instrument die ontwikkeld is in de ene cultuur kan niet hetzelfde meten in een
andere cultuur
3. Universalisme: Er zijn basale psychologische processen die overal hetzelfde
werken, maar hoe deze zich manifesteren wordt door culturele context
beïnvloed. Metingen van concepten kunnen oppervlakkig hetzelfde concept
meten in verschillende contexten, tot op zekere hoogte crosscultureel valide.
Validiteit kan worden vergroot door instrumenten culture fair of culture free te
maken. Bijv. IQ-testen gaan vaak ook over geografische kennis. Hoofdsteden
provincies NL kun je aan een Nederlander vragen, maar niet aan een Japanner,