Samenvatting MAW Werk 2016-2017
H1. Betekenis van werk
Betaald werk – onbetaald werk
Vrijwilligerswerk zit tussen betaald en onbetaald werk.
Arbeid: alle activiteiten die maatschappelijk en of economisch nuttig zijn, voor degen die ze
verricht voor zijn of haar omgeving en of voor de samenleving als geheel.
Maatschappelijke behoefte aan arbeid.
Functies: materiële functies (levensonderhoud, economisch onafhankelijk); immateriële
functies (sociale status, sociale contacten, zinvolle tijdsbesteding, ontplooiing).
Functies voor de samenleving: welvaartsfunctie; sociale functie; verdelingsfunctie.
Recht op werk behoort tot de sociale grondrechten.
Bepaling kwaliteit van werk:
Arbeidsinhoud: mate van afwisseling in werk en de mogelijkheid tot persoonlijke
ontplooiing;
Arbeidsomstandigheden: werkplek en de gereedschappen waarmee je werkt;
Arbeidsverhoudingen: sociale contacten onderling; relatie tussen personeel en
leidinggevenden;
Arbeidsvoorwaarden: primair en secundair.
Wanneer mensen een positieve betekenis toe kennen aan arbeid hebben zij een hoog
arbeidsethos.
Basisinkomen: een garandeert inkomen dat iedere volwassene zou moeten krijgen,
ongeacht of zij werkt of niet.
Maatschappelijke factoren van werk: de mate van welvarendheid van een land; de omvang
van de werkloosheid; de beschikbaarheid van inkomensvoorzieningen; de maatschappelijke
druk die op mensen wordt uitgeoefend om werk te zoeken.
Verschillen in tijd: klassieke oudheid (arbeid negatief); middeleeuwen (aansporing tot werk);
zestiende eeuw (hard werken kon beschouwd worden als een teken van uitverkiezing);
verlichting (armoede door eigen schuld).
Karl Marx: bij armoede geen sprake van eigen schuld maar het gevolg van het niet bezitten
van productiemiddelen.
Twintigste eeuw (arbeid in combinatie met rechten).
Verschillen in plaats: in de VS is het arbeidsethos heel hoog, betaalt werken wordt namelijk
gezien als het middel om hogerop te komen.
Julia van Ieperenburg
H1. Betekenis van werk
Betaald werk – onbetaald werk
Vrijwilligerswerk zit tussen betaald en onbetaald werk.
Arbeid: alle activiteiten die maatschappelijk en of economisch nuttig zijn, voor degen die ze
verricht voor zijn of haar omgeving en of voor de samenleving als geheel.
Maatschappelijke behoefte aan arbeid.
Functies: materiële functies (levensonderhoud, economisch onafhankelijk); immateriële
functies (sociale status, sociale contacten, zinvolle tijdsbesteding, ontplooiing).
Functies voor de samenleving: welvaartsfunctie; sociale functie; verdelingsfunctie.
Recht op werk behoort tot de sociale grondrechten.
Bepaling kwaliteit van werk:
Arbeidsinhoud: mate van afwisseling in werk en de mogelijkheid tot persoonlijke
ontplooiing;
Arbeidsomstandigheden: werkplek en de gereedschappen waarmee je werkt;
Arbeidsverhoudingen: sociale contacten onderling; relatie tussen personeel en
leidinggevenden;
Arbeidsvoorwaarden: primair en secundair.
Wanneer mensen een positieve betekenis toe kennen aan arbeid hebben zij een hoog
arbeidsethos.
Basisinkomen: een garandeert inkomen dat iedere volwassene zou moeten krijgen,
ongeacht of zij werkt of niet.
Maatschappelijke factoren van werk: de mate van welvarendheid van een land; de omvang
van de werkloosheid; de beschikbaarheid van inkomensvoorzieningen; de maatschappelijke
druk die op mensen wordt uitgeoefend om werk te zoeken.
Verschillen in tijd: klassieke oudheid (arbeid negatief); middeleeuwen (aansporing tot werk);
zestiende eeuw (hard werken kon beschouwd worden als een teken van uitverkiezing);
verlichting (armoede door eigen schuld).
Karl Marx: bij armoede geen sprake van eigen schuld maar het gevolg van het niet bezitten
van productiemiddelen.
Twintigste eeuw (arbeid in combinatie met rechten).
Verschillen in plaats: in de VS is het arbeidsethos heel hoog, betaalt werken wordt namelijk
gezien als het middel om hogerop te komen.
Julia van Ieperenburg