HOOFDSTUK 1: INLEIDING TOT DE PSYCHODIAGNOSTIEK. ............................................................................... 2
1.1 OMSCHRIJVING EN BELANG VAN PSYCHODIAGNOSTIEK. .......................................................................................... 2
1.2 MAATSCHAPPIJ EN PSYCHODIAGNOSTIEK. ........................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2: PSYCHODIAGNOSTIEK VAN INTELLIGENTIE. ........................................................................... 14
2.1 INTELLIGENTIE IN THEORIE EN PRAKTIJK. ........................................................................................................... 14
2.2 INTELLIGENTIE ALS ZORGVRAAG. ..................................................................................................................... 21
HOOFDSTUK 3: HET PSYCHODIAGNOSTISCH PROCESMODEL.......................................................................... 26
3.1 AANMELDING. ........................................................................................................................................... 26
3.2 INTAKE/VOORONDERZOEK. ........................................................................................................................... 30
3.3 AANVULLEND ONDERZOEK. ........................................................................................................................... 39
3.4 ADVIES EN RAPPORTERING. ........................................................................................................................... 42
3.5 INTERVENTIE EN EVALUATIE. .......................................................................................................................... 47
HOOFDSTUK 4: KUNST VAN DE TESTDIAGNOSTIEK......................................................................................... 48
4.1 INTERPRETATIE VAN TESTRESULTATEN. ............................................................................................................. 48
4.2 BETROUWBAARHEID. ................................................................................................................................... 54
1
, HOOFDSTUK 1: INLEIDING TOT DE PSYCHODIAGNOSTIEK.
1.1 OMSCHRIJVING EN BELANG VAN PSYCHODIAGNOSTIEK.
1.1.1 ALLEDAAGS IMPLICIET DIAGNISTICEREN.
Diagnosticeren: toekennen van oorzaken aan verschijnselen of gedragingen (attributietheorie).
Impliciet: onbewust, zonder erover na te denken.
Iedereen doet het elke dag, vooral als er een afwijking is van een verwacht patroon.
Vaak gebruikt als entertainment:
Online of in tijdschriften: “testjes”
Media, televisie en documentaires: extremer (on)gewenst gedrag.
PROBLEEM VAN IMPLICIET DIAGNOSTICEREN:
A. Omgaan met kansen en waarschijnlijkheden:
Mensen zijn slecht in het schatten, afwegen en herzien van kansen foutbronnen.
B. Oorzaak van foutenbronnen:
Mensen redeneren niet statistisch, maar gebruiken heuristieken/vuistregels.
Heuristieken: om sneller tot de oplossing van een probleem te komen.
Informele, intuïtieve en speculatieve oplossingsstrategieën.
Ontwikkeld om snel beslissingen te nemen.
Specifieke strategieën die we leren gebruiken in specifieke situaties en die
niet altijd een oplossing garanderen (≠ algoritmen, die altijd en overal
werken).
Hoe meer ervaring met een taak, hoe beter heuristieken ontwikkeld zijn.
Heuristieken zijn vaak oorzaak van foutenbron.
Andere statistische fouten:
Bv. velen denken dat vliegen gevaarlijker is dan autorijden.
Hoe gemakkelijker voorbeelden van een fenomeen te binnen schieten, des
te frequenter is dat fenomeen.
bv. vliegtuig crash komt altijd in het nieuws, auto ongeluk niet.
Beschikbaarheidsheuristiek Representativiteitsheuristiek
Als iets makkelijk uit het geheugen op te halen is, Hoe meer iemand overeenkomstige kenmerken
schatten mensen dat dit vaker gebeurt. vertoont die typisch zijn voor leden van een
bepaalde groep, hoe groter de kans is dat de
persoon ook tot die groep behoort.
2