Extra oefeningen toetskeuze
Gebruik onderstaande tekst voor vraag 1 en vraag 2
1. Onderzoekers die de effectiviteit van een taalstimuleringsprogramma onderzoeken, willen
weten of de scores van verschillende taaltoetsen samenhangen of niet. De totale
onderzoeksgroep bestaat uit 73 kinderen. Deze kinderen hebben bij de voormeting
allemaal toets A en toets B gemaakt. Bij toets A geeft de score aan hoeveel vragen de
kinderen goed hadden. Bij toets B geeft de score aan hoeveel vragen de kinderen fout
hadden.
Welke toets moeten de onderzoekers uitvoeren?
a. Pearson correlatie
b. Spearman correlatie
c. Punt-biseriele correlatie
d. Phi-coefficient
Een onderzoeker wil weten of leerkrachten een voorkeur hebben voor werken in het openbaar
onderwijs of het speciaal onderwijs. In totaal bevraagt hij 90 leerkrachten. De onderzoeksgroep
bestond uit 50 vrouwen en 40 mannen.
2. De onderzoeker verwacht dat driekwart van de leerkrachten de voorkeur heeft voor het
openbaar onderwijs en de rest voor het speciaal onderwijs.
De onderzoeker wil weten of deze verwachting klopt. Welke toets moet hij uitvoeren?
a. Regressie analyse
b. Variantie-analyse
c. χ²-toets voor onafhankelijkheid
d. χ2-goodness-of-fittoets
3. De onderzoeker van vraag 2 wil ook weten of mannen en vrouwen verschillen qua
voorkeur. Welke toets moet hij dan uitvoeren?
a. ANOVA
b. Regressie analyse
c. χ²-toets voor onafhankelijkheid
d. χ2-goodness-of-fittoets
Gebruik onderstaande tekst voor vraag 1 en vraag 2
1. Onderzoekers die de effectiviteit van een taalstimuleringsprogramma onderzoeken, willen
weten of de scores van verschillende taaltoetsen samenhangen of niet. De totale
onderzoeksgroep bestaat uit 73 kinderen. Deze kinderen hebben bij de voormeting
allemaal toets A en toets B gemaakt. Bij toets A geeft de score aan hoeveel vragen de
kinderen goed hadden. Bij toets B geeft de score aan hoeveel vragen de kinderen fout
hadden.
Welke toets moeten de onderzoekers uitvoeren?
a. Pearson correlatie
b. Spearman correlatie
c. Punt-biseriele correlatie
d. Phi-coefficient
Een onderzoeker wil weten of leerkrachten een voorkeur hebben voor werken in het openbaar
onderwijs of het speciaal onderwijs. In totaal bevraagt hij 90 leerkrachten. De onderzoeksgroep
bestond uit 50 vrouwen en 40 mannen.
2. De onderzoeker verwacht dat driekwart van de leerkrachten de voorkeur heeft voor het
openbaar onderwijs en de rest voor het speciaal onderwijs.
De onderzoeker wil weten of deze verwachting klopt. Welke toets moet hij uitvoeren?
a. Regressie analyse
b. Variantie-analyse
c. χ²-toets voor onafhankelijkheid
d. χ2-goodness-of-fittoets
3. De onderzoeker van vraag 2 wil ook weten of mannen en vrouwen verschillen qua
voorkeur. Welke toets moet hij dan uitvoeren?
a. ANOVA
b. Regressie analyse
c. χ²-toets voor onafhankelijkheid
d. χ2-goodness-of-fittoets