Historische context: China (1942 – 2001)
1. Einde keizertijd (1842 – 1912):
China opgeslokt door imperialistische Westen
2. Republiek China (1912 – 1949):
China verdeeld tussen nationalisten en communisten en bezet door Japan
3. Volksrepubliek China (1949 – 2001)
Communisten maken van China een sterk, onafhankelijk land
Vooraf: China eeuwenoude grootmacht
- sinds 3e eeuw v. Christus eenheidsstaat met voornamelijk Han-Chinezen die vooral het mandarijn
spreken
- China heeft veel (etnische) minderheden met eigen talen
China wordt geregeerd door keizers (‘Zoon van de Hemel’) sinds:
- 2697 v. Chr. Toen Keizer Huangdi het land regeerde (tevens begin jaartelling)
- 221 v. Chr. Toen keizer Zheng het land verenigde en de Chinese Muur bouwde
Bestuur
- De keizer:
- heeft absolute macht
- Heeft mandaat van de Hemel
- is een zorgzame vader voor onderdanen (die absoluut gehoorzaam zijn)
- Ambtenaren:
- Hogere ambtenaren (= mandarijnen) werken als magistraat, provinciehoofd of als rechter
- lagere ambtenaren voeren het beleid van de Keizer / Mandarijnen uit
- Opleidingen duren jaren / examens zijn moeilijk
- Beroemde dynastieën:
- Han-Dynastie (206 BC – 581 AD):
beroemd om zijn rijstverbouw
- Yuan Dynastie (1279 – 1368):
Mongoolse overheersing na Kubla Khan
- Ming-Dynastie (1368 – 1644):
beroemd van het porselein
- Qing-Dynastie (1644 – 1912):
Mantsjoe-overheersing
Economie
- Landbouw:
- Zelfvoorzienend op kleine stukjes grond
- intensieve landbouw: rijst
- irrigatie door menskracht
- rijke boeren bezitten 75% van de landbouwgrond
- veel arme (pacht)boeren continu in gevaar van ramp / hongersnood
- Ambacht:
- werkplaatsen in de (kleine) stad
- creatief (veel uitvindingen: buskruit, porselein)
- goederen vooral voor de regio
, - Handel:
- Vooral zouthandel
- bijna geen buitenlandse handel – grenzen dicht!
- Handel stond lager in aanzien dan landbouw en ambacht
Cultuur
- Confucianisme:
- Officiële ideologie in Keizertijd
- oprichter Koeng Foe-tsoe (551 – 479 v. Chr.)
- Gaat uit van deugden (fatsoen, rechtvaardigheid, liefde en trouw)
- Centraal staat wederkerigheid: mens is geen individu, maar deel van harmonieuze relatie
met meerdere ( = vriendelijk) en mindere (= gehoorzaam)
- Later verenigd met boeddhisme en taoisme
- China:
- Beschouwt zich als het middelpunt van beschaving
- ziet ‘buitenlanders’ als barbaren
China en Europa
- Oudheid:
- contact met Grieken en Romeinen via zijderoute
- contact met Alexander de Grote
- Middeleeuwen:
- contact met Arabieren (zijderoute)
- eerste ‘ontdekkingsreizigers’: Marco Polo en Ibn Battuta
- Christenen en moslims trekken naar China en verspreiden hun geloof
- Vroegmoderne tijd:
- Portugezen ontdekken weg om Afrika – Macao eerste nederzetting in China (1555)
- Spanjaarden brengen producten uit Amerika (zilver)
- Nederlanders (VOC) vestigen zich op Formosa (= Taiwan) (1624 – 1662) – import van thee
en porselein
- Engelsen (EIC) vestigen zich in Kanton (1757) – import thee
- China niet geïnteresseerd in westerse producten – alleen in zilver!
- China houdt de grenzen zoveel mogelijk dicht
China (1842 – 1912): Groeiende problemen voor de Qing-Dynastie
Tot 1800:
- grote politieke stabiliteit
- Grootste omvang ooit
- 1650 – 1800: van 100 naar 300 miljoen inwoners
- grenzen blijven dicht – buitenlanders geweerd
1. Politieke crisis na 1800:
Keizer heeft absolute macht, maar heeft…
- moeite om opstanden neer te slaan
- moeite om Westen buiten de deur te houden
2. Honger – oorzaken:
- natuurrampen
1. Einde keizertijd (1842 – 1912):
China opgeslokt door imperialistische Westen
2. Republiek China (1912 – 1949):
China verdeeld tussen nationalisten en communisten en bezet door Japan
3. Volksrepubliek China (1949 – 2001)
Communisten maken van China een sterk, onafhankelijk land
Vooraf: China eeuwenoude grootmacht
- sinds 3e eeuw v. Christus eenheidsstaat met voornamelijk Han-Chinezen die vooral het mandarijn
spreken
- China heeft veel (etnische) minderheden met eigen talen
China wordt geregeerd door keizers (‘Zoon van de Hemel’) sinds:
- 2697 v. Chr. Toen Keizer Huangdi het land regeerde (tevens begin jaartelling)
- 221 v. Chr. Toen keizer Zheng het land verenigde en de Chinese Muur bouwde
Bestuur
- De keizer:
- heeft absolute macht
- Heeft mandaat van de Hemel
- is een zorgzame vader voor onderdanen (die absoluut gehoorzaam zijn)
- Ambtenaren:
- Hogere ambtenaren (= mandarijnen) werken als magistraat, provinciehoofd of als rechter
- lagere ambtenaren voeren het beleid van de Keizer / Mandarijnen uit
- Opleidingen duren jaren / examens zijn moeilijk
- Beroemde dynastieën:
- Han-Dynastie (206 BC – 581 AD):
beroemd om zijn rijstverbouw
- Yuan Dynastie (1279 – 1368):
Mongoolse overheersing na Kubla Khan
- Ming-Dynastie (1368 – 1644):
beroemd van het porselein
- Qing-Dynastie (1644 – 1912):
Mantsjoe-overheersing
Economie
- Landbouw:
- Zelfvoorzienend op kleine stukjes grond
- intensieve landbouw: rijst
- irrigatie door menskracht
- rijke boeren bezitten 75% van de landbouwgrond
- veel arme (pacht)boeren continu in gevaar van ramp / hongersnood
- Ambacht:
- werkplaatsen in de (kleine) stad
- creatief (veel uitvindingen: buskruit, porselein)
- goederen vooral voor de regio
, - Handel:
- Vooral zouthandel
- bijna geen buitenlandse handel – grenzen dicht!
- Handel stond lager in aanzien dan landbouw en ambacht
Cultuur
- Confucianisme:
- Officiële ideologie in Keizertijd
- oprichter Koeng Foe-tsoe (551 – 479 v. Chr.)
- Gaat uit van deugden (fatsoen, rechtvaardigheid, liefde en trouw)
- Centraal staat wederkerigheid: mens is geen individu, maar deel van harmonieuze relatie
met meerdere ( = vriendelijk) en mindere (= gehoorzaam)
- Later verenigd met boeddhisme en taoisme
- China:
- Beschouwt zich als het middelpunt van beschaving
- ziet ‘buitenlanders’ als barbaren
China en Europa
- Oudheid:
- contact met Grieken en Romeinen via zijderoute
- contact met Alexander de Grote
- Middeleeuwen:
- contact met Arabieren (zijderoute)
- eerste ‘ontdekkingsreizigers’: Marco Polo en Ibn Battuta
- Christenen en moslims trekken naar China en verspreiden hun geloof
- Vroegmoderne tijd:
- Portugezen ontdekken weg om Afrika – Macao eerste nederzetting in China (1555)
- Spanjaarden brengen producten uit Amerika (zilver)
- Nederlanders (VOC) vestigen zich op Formosa (= Taiwan) (1624 – 1662) – import van thee
en porselein
- Engelsen (EIC) vestigen zich in Kanton (1757) – import thee
- China niet geïnteresseerd in westerse producten – alleen in zilver!
- China houdt de grenzen zoveel mogelijk dicht
China (1842 – 1912): Groeiende problemen voor de Qing-Dynastie
Tot 1800:
- grote politieke stabiliteit
- Grootste omvang ooit
- 1650 – 1800: van 100 naar 300 miljoen inwoners
- grenzen blijven dicht – buitenlanders geweerd
1. Politieke crisis na 1800:
Keizer heeft absolute macht, maar heeft…
- moeite om opstanden neer te slaan
- moeite om Westen buiten de deur te houden
2. Honger – oorzaken:
- natuurrampen