GESCHIEDENIS
Begrippenlijst
Multicausaliteit = er zijn meerdere oorzaken
Representativiteit = een goed beeld geven van iets.
Continuïteit = iets blijft doorheen verschillende tijdvakken bestaan.
Portolaan = is een havenkaart die alle handelscentra weergeeft.
Ptolemaeus = Griekse kaarten maker, 2 e eeuw, economisch
Anachronisme = iets wat niet in die bepaalde tijd past. Bv: gsm in middeleeuwen
Kolonies = een gebied dat veroverd is en in handen is van bevolking dat niet van daar komt. Bv: de Spanjaarden
veroverden en verdeelden de Amerikaanse bevolking in kolonies. De Maya’s, Inca’s, Azteken.
Eurocentrisme = een visie door een Europese bril.
Exotisme = interesse in het vreemde, alles wat buiten eigen cultuur valt.
Superioriteitsgevoel = beter voelen dan anderen.
Polygamie = een man die meerdere vrouwen heeft.
Standplaatsgebondenheid = ieders visie wordt bepaald door de positie die hij heeft t.o.v. de andere.
Vb.: eurocentrisme.
Precolumbiaanse culturen = culturen die al aanwezig waren voor de komst van Columbus.
Slavernij = een mens die aan een ander eigendom toe behoort, en zware arbeid moet verrichten. Geen rechten.
Columbian exchange = planten, dieren en micro-organismen vonden hun weg over de Atlantische oceaan, en
zorgden voor uitwisselingen.
Globalisering = vb van toegenomen interculturele contacten.
Collectieve herinnering = gezamenlijke herdenking binnen een groep van bepaalde delen vd geschiedenis.
Assimileren = gelijkmaken van culturen.
Bv: de lat.am. moesten zich aanpassen naar de Europese culturen.
Gecreoliseerde cultuur = de kenmerken van de wederzijdse wisselwerking tussen culturen zodat er een nieuwe
cultuur ontstaat. Bv: talen geraken ingeburgerd -> mengtalen
Mondialisering = globalisering = wereldwijde economische, politieke en culturele integratie.
Demografie = studie van de bevolkingsontwikkeling.
- Nataliteit = geboortecijfers
- Mortaliteit = sterftecijfer
- Fertiliteit = vruchtbaarheid
- Nuptialiteit = huwelijkspatroon
- Migratie = verhuizing
- Urbanisatie = verstedelijking
Accordeondemografie = demografie stijgt en daalt zoals een accordeon.
Verstandshuwelijk = trouwen om maatschappelijke positie te verbeteren of te bevestigen.
Celibatair leven = bewust kiezen voor een leven zonder seks en huwelijk.
Kerngezin = klein gezin; vader, moeder, kinderen.
Seriële monogamie = door het hoge sterftecijfer kon er opnieuw getrouwd worden en ontstonden ook
samengestelde gezinnen.
Oversterfte = meer sterfte dan geboorte. Kwam door oorlogen, honger en ziektes.
Hongersnood = te kort aan voedsel door slechte weersomstandigheden.
Honger crisis = te kort aan voedsel door oorlogen. Er ontstaan politieke conflicten.
Cordon sanitaire = een gedeeltelijke quarantaine voor schepen die uit risicozones kwamen.
Epidemie = ziekte die zich in een gemeenschap verspreid.
Pandemie = ziekte die zich wereldwijd verspreid.
Gelaagde maatschappij = samenleving waar het onderscheid tussen de drie standen wordt duidelijk gemaakt.
Standensamenleving = samenleving waarin niet iedereen dezelfde rechten had.
Push- en pullfactoren = factoren die ervoor zorgen dat mensen naar of weg van de stad gaan.
Begrippenlijst
Multicausaliteit = er zijn meerdere oorzaken
Representativiteit = een goed beeld geven van iets.
Continuïteit = iets blijft doorheen verschillende tijdvakken bestaan.
Portolaan = is een havenkaart die alle handelscentra weergeeft.
Ptolemaeus = Griekse kaarten maker, 2 e eeuw, economisch
Anachronisme = iets wat niet in die bepaalde tijd past. Bv: gsm in middeleeuwen
Kolonies = een gebied dat veroverd is en in handen is van bevolking dat niet van daar komt. Bv: de Spanjaarden
veroverden en verdeelden de Amerikaanse bevolking in kolonies. De Maya’s, Inca’s, Azteken.
Eurocentrisme = een visie door een Europese bril.
Exotisme = interesse in het vreemde, alles wat buiten eigen cultuur valt.
Superioriteitsgevoel = beter voelen dan anderen.
Polygamie = een man die meerdere vrouwen heeft.
Standplaatsgebondenheid = ieders visie wordt bepaald door de positie die hij heeft t.o.v. de andere.
Vb.: eurocentrisme.
Precolumbiaanse culturen = culturen die al aanwezig waren voor de komst van Columbus.
Slavernij = een mens die aan een ander eigendom toe behoort, en zware arbeid moet verrichten. Geen rechten.
Columbian exchange = planten, dieren en micro-organismen vonden hun weg over de Atlantische oceaan, en
zorgden voor uitwisselingen.
Globalisering = vb van toegenomen interculturele contacten.
Collectieve herinnering = gezamenlijke herdenking binnen een groep van bepaalde delen vd geschiedenis.
Assimileren = gelijkmaken van culturen.
Bv: de lat.am. moesten zich aanpassen naar de Europese culturen.
Gecreoliseerde cultuur = de kenmerken van de wederzijdse wisselwerking tussen culturen zodat er een nieuwe
cultuur ontstaat. Bv: talen geraken ingeburgerd -> mengtalen
Mondialisering = globalisering = wereldwijde economische, politieke en culturele integratie.
Demografie = studie van de bevolkingsontwikkeling.
- Nataliteit = geboortecijfers
- Mortaliteit = sterftecijfer
- Fertiliteit = vruchtbaarheid
- Nuptialiteit = huwelijkspatroon
- Migratie = verhuizing
- Urbanisatie = verstedelijking
Accordeondemografie = demografie stijgt en daalt zoals een accordeon.
Verstandshuwelijk = trouwen om maatschappelijke positie te verbeteren of te bevestigen.
Celibatair leven = bewust kiezen voor een leven zonder seks en huwelijk.
Kerngezin = klein gezin; vader, moeder, kinderen.
Seriële monogamie = door het hoge sterftecijfer kon er opnieuw getrouwd worden en ontstonden ook
samengestelde gezinnen.
Oversterfte = meer sterfte dan geboorte. Kwam door oorlogen, honger en ziektes.
Hongersnood = te kort aan voedsel door slechte weersomstandigheden.
Honger crisis = te kort aan voedsel door oorlogen. Er ontstaan politieke conflicten.
Cordon sanitaire = een gedeeltelijke quarantaine voor schepen die uit risicozones kwamen.
Epidemie = ziekte die zich in een gemeenschap verspreid.
Pandemie = ziekte die zich wereldwijd verspreid.
Gelaagde maatschappij = samenleving waar het onderscheid tussen de drie standen wordt duidelijk gemaakt.
Standensamenleving = samenleving waarin niet iedereen dezelfde rechten had.
Push- en pullfactoren = factoren die ervoor zorgen dat mensen naar of weg van de stad gaan.