Binas tabellen: 76B, 86, 89A en C
Hoofdstuk 4
Eisprong/Ovulatie: het moment waarop de rijpe follikel barst en de eicel vrijkomt. Gebeurd
ongeveer 14 dagen voor het einde van de menstruele cyclus.
Zaadlozing: sperma verlaat je lichaam
Bevruchting: het samensmelten van twee haploïde gameten, zoals een zaadcel en een eicel.
Dit zorgt voor een diploïde zygote en uiteindelijk tot een embryo.
Zygote: een diploïde cel die wordt gevormd uit twee haploïde cellen. (Gevormd door zaadcel
en eicel)
Bevruchtingsmembraan: membraan dat de eicel alsuit nadat deze bevrucht is door een
zaadcel. Hierdoor kunnen andere zaadcellen niet meer bij de eicel komen.
Embryo: ongeboren vrucht, vroegste stadia van ontwikkeling
Mitose: gewone celdeling, waarbij nieuwe dochtercellen ontstaan, die gelijk is aan de
moedercel en in staat is op zich veder te delen.
Klievingsdeling: celdeling na de bevruchting van de eicel door een zaadcel waarbij geen groei
van de bevruchte eicel plaatsvindt. Dit vindt plaats zolang de bevruchte eicel zich in de
eileider bevindt.
Blastula: een hol balletje, typisch voor de embryonale ontwikkeling van met name
gewervelde dieren, dat tijdens het delen van een bevruchte eicel ontstaat.
Vlokken: eenvoudige of ook vertakte uitstulpingen van menselijke of dierlijke weefsels, die
zeer verschillende functies kunnen hebben.
Innesteling: het moment dat een bevruchte eicel zich in de baarmoeder nestelt.
Placenta: zorgt ervoor dat de baby bloed en voedingsstoffen krijgt, zodat de baby kan
groeien.
Navelstreng: een extern orgaan, een soort buis waarin een aantal bloedvaten lopen,
waardoor een foetus in de baarmoeder van de moeder verbonden is met de placenta.
Specialiseren: zich toeleggen op iets specifieks
Foetus: de benaming voor een ongeboren baby vanaf negen weken na de bevruchting
Vruchtvliezen: een dun omhulsel waarin het vruchtwater en het embryo, later de foetus, zich
bevindt.
,Vruchtwater: het vocht in je baarmoeder tijdens de zwangerschap. Het bestaat uit het
grootste gedeelte van water en voor een klein deel aan zouten en cellen van de baby.
Leefstijl: het gedrag waarvoor een relatie met goede gezondheid of met
gezondheidsproblemen is vastgesteld.
Stress: een vorm van spanning die in het lichaam van mensen, dieren of planten optreedt als
reactie op externe prikkels en die gevolgd wordt door een bepaald patroon van fysiologische
reacties.
Geslacht: de lichamelijke kenmerken waarmee iemand is geboren.
X-chromosoom: vrouwelijk
Y-chromosoom: mannelijk
Primaire geslachtskenmerken: kenmerken waarmee onderscheid wordt gemaakt tussen
wezens van het mannelijk en het vrouwelijk geslacht.
Secundaire geslachtskenmerken: kenmerken die zich pas ontwikkelingen in de puberteit.
Zoals beharing, ontwikkeling van lichaamsdelen, verlangen naar een ander geslacht.
Puberteit: een aanduiding voor de levensfase waarin iemand ‘geslachtsrijp’ wordt.
Zaadballen: de geslachtsklier van mannelijke organismen.
Vruchtbare zaadcellen: cellen die vruchtbaar zijn dus een kind kunnen maken.
Bijbal: het orgaan data bij de man achter de teelbal is de balzak is gelegen. Het verzamelt
rijpe spermacellen tot de eerste volgende zaadlozing.
Zwellichamen: de toename van doorbloeding door het verwijden van de bloedtoevoer,
hierdoor zwelt het orgaan.
Orgasme: de ontlading van maximale seksuele opwinding in het lichaam.
Sperma: de door mannelijke dieren geproduceerde vloeistof met zaadcellen.
Overgang: een aantal jaren rondom uw laatste ongesteldheid.
Eicel: de niet beweeglijke, vrouwelijke gameet of geslachtscel.
Baarmoederslijmvlies: de bedekkende laag van de binnenzijde van de baarmoeder. Het
reageert sterk op oestrogeen en progesteron.
Menstruatie: periodiek optredende bloeding van het baarmoederslijmvlies.
, Maagdenvlies: een randje weefsel aan het begin van de vagina, het zorgt ervoor dat het
menstruatiebloed passeert zoals water door een koffiefilter.
Schaamlippen: 2 plooien van huid en vetweefsel die na de puberteit bedekt zijn met
schaamhaar en min of meer de vulva verbergen.
Clitoris: deel van het vrouwelijke geslachtsorgaan dat bij prikkeling van een orgasme kan
geven.
Urinebuis: een lange cilindrische holte die de urineblaas verbindt met de buitenkant van het
lichaam.
Tertiaire geslachtskenmerken: te maken met de psych en gedrag.
Waarden en normen: omgangsvormen en principes volgens welke men publiekelijk en in
sociaal verband handelt.
Seksualiteit: de handelingen die gericht zijn op intiem lichamelijk contact die gepaard gaan
met gevoelens van opwinding, lust en passie.
Masturberen: zelfbevrediging
Heteroseksueel: seksualiteit met het ander geslacht
Homoseksueel: seksualiteit met hetzelfde geslacht
Biseksueel: seksualiteit met beide geslachten
Verkrachting: seksuele handelingen zijn afgedwongen door geweld of dreiging met geweld.
Bij aanranding gaat het om seksuele handelingen behalve seksueel binnendringen.
Ongewenste intimiteit: wanner gedragingen door de ontvanger als vervelend, hinderlijk,
vernederend of bedreigend worden ervaren.
Incest: geslachtsgemeenschap tussen bloedverwanten
Aanranding: als seksuele handelingen zijn afgedwongen door geweld of dreiging met geweld
Geestelijke schade: geestelijke, mentale of emotionele schade die niet lichamelijk is te
verklaren.
Zaadballen: de geslachtsklier van mannelijke organismen.
Chromosomen: is een drager van een deel van het erfelijk materiaal van een organisme.
Karyogram: een afbeelding van de chromosomen
Lichaamscellen: cellen waaruit alle organen van het lichaam zijn opgebouwd.
Hoofdstuk 4
Eisprong/Ovulatie: het moment waarop de rijpe follikel barst en de eicel vrijkomt. Gebeurd
ongeveer 14 dagen voor het einde van de menstruele cyclus.
Zaadlozing: sperma verlaat je lichaam
Bevruchting: het samensmelten van twee haploïde gameten, zoals een zaadcel en een eicel.
Dit zorgt voor een diploïde zygote en uiteindelijk tot een embryo.
Zygote: een diploïde cel die wordt gevormd uit twee haploïde cellen. (Gevormd door zaadcel
en eicel)
Bevruchtingsmembraan: membraan dat de eicel alsuit nadat deze bevrucht is door een
zaadcel. Hierdoor kunnen andere zaadcellen niet meer bij de eicel komen.
Embryo: ongeboren vrucht, vroegste stadia van ontwikkeling
Mitose: gewone celdeling, waarbij nieuwe dochtercellen ontstaan, die gelijk is aan de
moedercel en in staat is op zich veder te delen.
Klievingsdeling: celdeling na de bevruchting van de eicel door een zaadcel waarbij geen groei
van de bevruchte eicel plaatsvindt. Dit vindt plaats zolang de bevruchte eicel zich in de
eileider bevindt.
Blastula: een hol balletje, typisch voor de embryonale ontwikkeling van met name
gewervelde dieren, dat tijdens het delen van een bevruchte eicel ontstaat.
Vlokken: eenvoudige of ook vertakte uitstulpingen van menselijke of dierlijke weefsels, die
zeer verschillende functies kunnen hebben.
Innesteling: het moment dat een bevruchte eicel zich in de baarmoeder nestelt.
Placenta: zorgt ervoor dat de baby bloed en voedingsstoffen krijgt, zodat de baby kan
groeien.
Navelstreng: een extern orgaan, een soort buis waarin een aantal bloedvaten lopen,
waardoor een foetus in de baarmoeder van de moeder verbonden is met de placenta.
Specialiseren: zich toeleggen op iets specifieks
Foetus: de benaming voor een ongeboren baby vanaf negen weken na de bevruchting
Vruchtvliezen: een dun omhulsel waarin het vruchtwater en het embryo, later de foetus, zich
bevindt.
,Vruchtwater: het vocht in je baarmoeder tijdens de zwangerschap. Het bestaat uit het
grootste gedeelte van water en voor een klein deel aan zouten en cellen van de baby.
Leefstijl: het gedrag waarvoor een relatie met goede gezondheid of met
gezondheidsproblemen is vastgesteld.
Stress: een vorm van spanning die in het lichaam van mensen, dieren of planten optreedt als
reactie op externe prikkels en die gevolgd wordt door een bepaald patroon van fysiologische
reacties.
Geslacht: de lichamelijke kenmerken waarmee iemand is geboren.
X-chromosoom: vrouwelijk
Y-chromosoom: mannelijk
Primaire geslachtskenmerken: kenmerken waarmee onderscheid wordt gemaakt tussen
wezens van het mannelijk en het vrouwelijk geslacht.
Secundaire geslachtskenmerken: kenmerken die zich pas ontwikkelingen in de puberteit.
Zoals beharing, ontwikkeling van lichaamsdelen, verlangen naar een ander geslacht.
Puberteit: een aanduiding voor de levensfase waarin iemand ‘geslachtsrijp’ wordt.
Zaadballen: de geslachtsklier van mannelijke organismen.
Vruchtbare zaadcellen: cellen die vruchtbaar zijn dus een kind kunnen maken.
Bijbal: het orgaan data bij de man achter de teelbal is de balzak is gelegen. Het verzamelt
rijpe spermacellen tot de eerste volgende zaadlozing.
Zwellichamen: de toename van doorbloeding door het verwijden van de bloedtoevoer,
hierdoor zwelt het orgaan.
Orgasme: de ontlading van maximale seksuele opwinding in het lichaam.
Sperma: de door mannelijke dieren geproduceerde vloeistof met zaadcellen.
Overgang: een aantal jaren rondom uw laatste ongesteldheid.
Eicel: de niet beweeglijke, vrouwelijke gameet of geslachtscel.
Baarmoederslijmvlies: de bedekkende laag van de binnenzijde van de baarmoeder. Het
reageert sterk op oestrogeen en progesteron.
Menstruatie: periodiek optredende bloeding van het baarmoederslijmvlies.
, Maagdenvlies: een randje weefsel aan het begin van de vagina, het zorgt ervoor dat het
menstruatiebloed passeert zoals water door een koffiefilter.
Schaamlippen: 2 plooien van huid en vetweefsel die na de puberteit bedekt zijn met
schaamhaar en min of meer de vulva verbergen.
Clitoris: deel van het vrouwelijke geslachtsorgaan dat bij prikkeling van een orgasme kan
geven.
Urinebuis: een lange cilindrische holte die de urineblaas verbindt met de buitenkant van het
lichaam.
Tertiaire geslachtskenmerken: te maken met de psych en gedrag.
Waarden en normen: omgangsvormen en principes volgens welke men publiekelijk en in
sociaal verband handelt.
Seksualiteit: de handelingen die gericht zijn op intiem lichamelijk contact die gepaard gaan
met gevoelens van opwinding, lust en passie.
Masturberen: zelfbevrediging
Heteroseksueel: seksualiteit met het ander geslacht
Homoseksueel: seksualiteit met hetzelfde geslacht
Biseksueel: seksualiteit met beide geslachten
Verkrachting: seksuele handelingen zijn afgedwongen door geweld of dreiging met geweld.
Bij aanranding gaat het om seksuele handelingen behalve seksueel binnendringen.
Ongewenste intimiteit: wanner gedragingen door de ontvanger als vervelend, hinderlijk,
vernederend of bedreigend worden ervaren.
Incest: geslachtsgemeenschap tussen bloedverwanten
Aanranding: als seksuele handelingen zijn afgedwongen door geweld of dreiging met geweld
Geestelijke schade: geestelijke, mentale of emotionele schade die niet lichamelijk is te
verklaren.
Zaadballen: de geslachtsklier van mannelijke organismen.
Chromosomen: is een drager van een deel van het erfelijk materiaal van een organisme.
Karyogram: een afbeelding van de chromosomen
Lichaamscellen: cellen waaruit alle organen van het lichaam zijn opgebouwd.