Oefentoets bio-neuropsychologie 2023
1. Een voorbeeld van een “seks-linked” kenmerk is?
a. Oogkleur
b. Kleurenblindheid
c. Temperament
d. Intelligentie
2. “seks-limited” genen worden aangetrokken op:
a. Alleen X
b. Alleen Y
c. Op X en Y
d. Kan op ieder chromosoom
3. Om te bewijzen dat ziekte/afwijkingen veroorzaakt kunnen worden door omgevingsfactoren,
kan je het voorbeeld geven van..?
a. Kleurenblindheid
b. Oogkleur
c. PKU
d. Het syndroom van down
4. Het beschrijven van hoe het menselijk taalvermogen zich ontwikkelt onder invloed van genen
en de gelegenheid om taal te horen in een gevoelige periode vroeg in het leven is een
voorbeeld van een… verklaring
a. Physiologische
b. Ontogenetische
c. Evolutionaire
d. functionele
5. Een cel in het zenuwstelsel die informatie ontvangt en verstuurt is een?
a. Neuron
b. Glia cell
c. Mitchondrium
d. Ribosoom
6. Wat wordt met myeline bedekt bij de mens?
a. Alle axonen
b. Alle dendrieten
c. Een gedeelte van een axon
d. Een gedeelte van de dendrieten
7. Waarom heeft het brein thiamine nodig?
a. Als bouwsteen voor het produceren van eiwitten
, b. Om het brein in staat te stellen glucose te metaboliseren
c. Om glucose in staat te stellen de bloed-brein barriere te passeren
d. Als energiebron wanneer er niet voldoende glucose beschikbaar is
8. Wat heeft geen invloed op de snelheid van een actiepotentiaal?
a. De aanwezigheid van myeline
b. De diameter van het axon
c. De lengte van het axon
d. Het aantal natrium-poriën in het membraan
9. Wat voorkomt dat het actiepotenitaal het axonale gebied achter de actiepotentiaal exciteert?
a. De refractoire periode
b. Er zijn geen natrium ionen in het gebied achter de actiepotentiaal
c. Het membraan kan actiepotentialen alleen maar in 1 richting geleiden
d. Niets
10. Het in snelle opeenvolging stimuleren van een neuron met een onderdrempelige excitatie zal
resulteren in?
a. Onderdrempelige inibbitie
b. Temporele summatie
c. Geen actiepotentiaal
d. Spatiële summatie
11. Vergeleken met ionotrope effecten zijn metabotrope effecten
a. Langzamer en langduriger
b. Sneller en langdurgier
c. Langzamer en korter
d. Sneller en korter
12. Een metabotrope synaps kan door middel van een second messenger?
a. De activiteit in een groot gedeelte van de postsynaptische cel beinvloeden
b. Nauwelijks effect hebben op de postsynaptische cel
c. De activiteit in een groot gedeelte van de presynaptische cel beinvloeden
d. Effecten veroorzaken die sterk gelokaliseerd zijn op 1 punt van het membraan
13. Het rustpotentiaal van -70 mV in veel neuronen is te danken aan..?
a. De selectieve doorlaatbaarheid
b. De concentratieverschillen
c. Het elektrische spanningsverschil
d. Zowel a, b als c
1. Een voorbeeld van een “seks-linked” kenmerk is?
a. Oogkleur
b. Kleurenblindheid
c. Temperament
d. Intelligentie
2. “seks-limited” genen worden aangetrokken op:
a. Alleen X
b. Alleen Y
c. Op X en Y
d. Kan op ieder chromosoom
3. Om te bewijzen dat ziekte/afwijkingen veroorzaakt kunnen worden door omgevingsfactoren,
kan je het voorbeeld geven van..?
a. Kleurenblindheid
b. Oogkleur
c. PKU
d. Het syndroom van down
4. Het beschrijven van hoe het menselijk taalvermogen zich ontwikkelt onder invloed van genen
en de gelegenheid om taal te horen in een gevoelige periode vroeg in het leven is een
voorbeeld van een… verklaring
a. Physiologische
b. Ontogenetische
c. Evolutionaire
d. functionele
5. Een cel in het zenuwstelsel die informatie ontvangt en verstuurt is een?
a. Neuron
b. Glia cell
c. Mitchondrium
d. Ribosoom
6. Wat wordt met myeline bedekt bij de mens?
a. Alle axonen
b. Alle dendrieten
c. Een gedeelte van een axon
d. Een gedeelte van de dendrieten
7. Waarom heeft het brein thiamine nodig?
a. Als bouwsteen voor het produceren van eiwitten
, b. Om het brein in staat te stellen glucose te metaboliseren
c. Om glucose in staat te stellen de bloed-brein barriere te passeren
d. Als energiebron wanneer er niet voldoende glucose beschikbaar is
8. Wat heeft geen invloed op de snelheid van een actiepotentiaal?
a. De aanwezigheid van myeline
b. De diameter van het axon
c. De lengte van het axon
d. Het aantal natrium-poriën in het membraan
9. Wat voorkomt dat het actiepotenitaal het axonale gebied achter de actiepotentiaal exciteert?
a. De refractoire periode
b. Er zijn geen natrium ionen in het gebied achter de actiepotentiaal
c. Het membraan kan actiepotentialen alleen maar in 1 richting geleiden
d. Niets
10. Het in snelle opeenvolging stimuleren van een neuron met een onderdrempelige excitatie zal
resulteren in?
a. Onderdrempelige inibbitie
b. Temporele summatie
c. Geen actiepotentiaal
d. Spatiële summatie
11. Vergeleken met ionotrope effecten zijn metabotrope effecten
a. Langzamer en langduriger
b. Sneller en langdurgier
c. Langzamer en korter
d. Sneller en korter
12. Een metabotrope synaps kan door middel van een second messenger?
a. De activiteit in een groot gedeelte van de postsynaptische cel beinvloeden
b. Nauwelijks effect hebben op de postsynaptische cel
c. De activiteit in een groot gedeelte van de presynaptische cel beinvloeden
d. Effecten veroorzaken die sterk gelokaliseerd zijn op 1 punt van het membraan
13. Het rustpotentiaal van -70 mV in veel neuronen is te danken aan..?
a. De selectieve doorlaatbaarheid
b. De concentratieverschillen
c. Het elektrische spanningsverschil
d. Zowel a, b als c