H3: Gemeenschapsecologie
Gemeenschapsecologie : studieterrein dat de patronen en processen van gemeenschappen
beschrijft en analyseert
Keystone species (syn. sleutelsoorten) : soorten die cruciaal zijn voor de structuur
en het functioneren van de gemeenschappen.
Gemeenschappen: populaties van verschillende soorten die met elkaar interageren
tijdens dezelfde periode en op dezelfde plaats.
→ structuur en functioneren van gemeenschappen bepaald door reeks (a)biotische
factoren
1. Gemeenschapsstructuur en dynamiek
1.1 Patronen van diversiteit
α - diversiteit
→de diversiteit binnen een welbepaalde plaats of ecosysteem, uitgedrukt als aantal
soorten
→ syn. soortenrijkdom van een gemeenschap
→≠ soortendiversiteit = het relatief belang van elke soort in een gemeenschap
gebaseerd op abundantie, productiviteit, grootte, etc.
→ soortendiversiteit= soortenrijkdom + eveness (= relatief aandeel v/ individuen
van elke soort i/e gemeenschap.
ß-diversiteit
→de som v/h # unieke soorten in elk ecosysteem dat we vergelijken
→ toepassing: de diversiteit tussen gemeenschappen of ecosystemen vergelijken
γ-diversiteit
= de totale diversiteit over al de gemeenschappen of ecosystemen i/e regio.
→ syn. geografische diversiteit
→ onder invloed van (a)biotische factoren, zoals:
aanwezigheid van ecologische niches
mate van geografische isolatie
aan/afwezigheid van omgevingsstress
geografische voorgeschiedenis
aan/afwezigheid van dominante soorten
→ species-area verbanden
→ verbanden tussen soortenrijkdom en oppervlakte
→ gemiddeld lagere soortenrijkdom op eilanden in vergelijking met gebieden van
vergelijkbare grootte op het vasteland, het aantal soorten daalt met afnemende grootte
v/h eiland.
→ verschillende redenen:
1. grotere gebieden bevatten algemeen een hogere diversiteit aan habitatten
H3: Gemeenschapsecologie 1
, 2. De theorie van eilandbiogeografie
→ # soorten op een eiland heeft een dynamisch evenwicht tussen de ratio van
immigratie en extinctie.
extinctie > immigratie → soortenrijkdom daalt
extinctie < immigratie → soortenrijkdom stijgt
→ het # soorten op een eiland evolueert naar een evenwichtswaarde, deze is het
resultaat van constante turnover van soorten.
1.2 dominante soorten en keystone soorten
dominante soorten
=soorten met een hoge abundantie of biomassa waardoor ze een hoge impact hebben op het
voorkomen en de verspreiding van andere soorten in de gemeenschap.
→ wrm zijn bepaalde soorten dominant?
→ verschillende hypotheses:
soorten met een hoog competitief vermogen om kritische hulpbronnen te benutten =
hogere kans op dominantie
soorten met een hoog vermogen om predatoren te vermijden
……
→ wanneer dominante soorten uit een gemeenschap verwijderd worden, kunnen cascade-
effecten optreden
keystone soorten
→ op basis van ecologische niche of rol
→ detecteren?
Door de impact v/h verdwijnen v/e kandidaat keystone soort op het functioneren v/d
gemeenschap te evalueren.
1.3 voedselketens en -webben
→ trofische gemeenschapstructuur
→ complex geheel van voedselrelaties tussen organismen
→ bepaald de dynamiek en structuur v/e gemeenschap in grote mate
→ bevat:
primaire producenten (syn. autotrofen): vormen organische moleculen door
fotosynthese uit anorganische componenten
→ vormen voedsel voor consumenten aka heterotrofen
primaire consumenten (syn. herbivoren)
→ eten autotrofen
secundaire en tertiaire consumenten (carnivoren, omnivoren)
→ secundaire consumenten eten primaire, tertiaire eten secundaire, enz.
→ andere termen:
omnivoren : voeden zich met plantaardig als dierlijk materiaal
detrivoren: voeden zich met detritus (dood organisch materiaal)
H3: Gemeenschapsecologie 2
Gemeenschapsecologie : studieterrein dat de patronen en processen van gemeenschappen
beschrijft en analyseert
Keystone species (syn. sleutelsoorten) : soorten die cruciaal zijn voor de structuur
en het functioneren van de gemeenschappen.
Gemeenschappen: populaties van verschillende soorten die met elkaar interageren
tijdens dezelfde periode en op dezelfde plaats.
→ structuur en functioneren van gemeenschappen bepaald door reeks (a)biotische
factoren
1. Gemeenschapsstructuur en dynamiek
1.1 Patronen van diversiteit
α - diversiteit
→de diversiteit binnen een welbepaalde plaats of ecosysteem, uitgedrukt als aantal
soorten
→ syn. soortenrijkdom van een gemeenschap
→≠ soortendiversiteit = het relatief belang van elke soort in een gemeenschap
gebaseerd op abundantie, productiviteit, grootte, etc.
→ soortendiversiteit= soortenrijkdom + eveness (= relatief aandeel v/ individuen
van elke soort i/e gemeenschap.
ß-diversiteit
→de som v/h # unieke soorten in elk ecosysteem dat we vergelijken
→ toepassing: de diversiteit tussen gemeenschappen of ecosystemen vergelijken
γ-diversiteit
= de totale diversiteit over al de gemeenschappen of ecosystemen i/e regio.
→ syn. geografische diversiteit
→ onder invloed van (a)biotische factoren, zoals:
aanwezigheid van ecologische niches
mate van geografische isolatie
aan/afwezigheid van omgevingsstress
geografische voorgeschiedenis
aan/afwezigheid van dominante soorten
→ species-area verbanden
→ verbanden tussen soortenrijkdom en oppervlakte
→ gemiddeld lagere soortenrijkdom op eilanden in vergelijking met gebieden van
vergelijkbare grootte op het vasteland, het aantal soorten daalt met afnemende grootte
v/h eiland.
→ verschillende redenen:
1. grotere gebieden bevatten algemeen een hogere diversiteit aan habitatten
H3: Gemeenschapsecologie 1
, 2. De theorie van eilandbiogeografie
→ # soorten op een eiland heeft een dynamisch evenwicht tussen de ratio van
immigratie en extinctie.
extinctie > immigratie → soortenrijkdom daalt
extinctie < immigratie → soortenrijkdom stijgt
→ het # soorten op een eiland evolueert naar een evenwichtswaarde, deze is het
resultaat van constante turnover van soorten.
1.2 dominante soorten en keystone soorten
dominante soorten
=soorten met een hoge abundantie of biomassa waardoor ze een hoge impact hebben op het
voorkomen en de verspreiding van andere soorten in de gemeenschap.
→ wrm zijn bepaalde soorten dominant?
→ verschillende hypotheses:
soorten met een hoog competitief vermogen om kritische hulpbronnen te benutten =
hogere kans op dominantie
soorten met een hoog vermogen om predatoren te vermijden
……
→ wanneer dominante soorten uit een gemeenschap verwijderd worden, kunnen cascade-
effecten optreden
keystone soorten
→ op basis van ecologische niche of rol
→ detecteren?
Door de impact v/h verdwijnen v/e kandidaat keystone soort op het functioneren v/d
gemeenschap te evalueren.
1.3 voedselketens en -webben
→ trofische gemeenschapstructuur
→ complex geheel van voedselrelaties tussen organismen
→ bepaald de dynamiek en structuur v/e gemeenschap in grote mate
→ bevat:
primaire producenten (syn. autotrofen): vormen organische moleculen door
fotosynthese uit anorganische componenten
→ vormen voedsel voor consumenten aka heterotrofen
primaire consumenten (syn. herbivoren)
→ eten autotrofen
secundaire en tertiaire consumenten (carnivoren, omnivoren)
→ secundaire consumenten eten primaire, tertiaire eten secundaire, enz.
→ andere termen:
omnivoren : voeden zich met plantaardig als dierlijk materiaal
detrivoren: voeden zich met detritus (dood organisch materiaal)
H3: Gemeenschapsecologie 2