OWE 1.02 Ontwikkelingspsychologie HC 2
Hoofdstuk 2 Ontwikkelingspsychologische theorieën
Hoe kijk je naar een mens?
Alle onderzoekers kijken door een andere bril en iedereens visie is waardevol.
Er bestaan veel verschillende theorieën over ontwikkeling, een aantal op een rij:
2.1. Psycho-analyse (Freud)
2.2. Cognitieve theorieen (o.a. Piaget en Vygotsky)
2.3. Behaviorisme/sociale leertheorie (Watson, Skinner)
2.4. Psychosociale theorie (Erickson)
2.5. Ethologie (Lorenz)
2.6. Ecologisch model (Bronfenbrenner)
2.7. Evolutionair perspectief (Darwin)
1. De psychoseksuele ontwikkelingstheorie van Sigmund Freud (1856-1939)
Kijkt naar het onderbewuste dus naar de innerlijke krachten.
Gedrag wordt gemotiveerd door krachten, driften, conflicten en herinneringen
waarvan mensen zich nauwelijks bewust is en waarover een mens zich nauwelijks
bewust is.
Drie aspecten van de persoonlijkheid
1. Es (ID) - Het primitieve aspect is het oudste deel van de persoonlijkheid. Het Es-
gedrag wordt geleid door het lustprincipe. De functie van het Es is het onmiddellijk
bevredigen van driften.
2. Ich (Ego) - Het rationele aspect ontwikkelt zich tijdens de eerste levensjaren. Het Ich
is realistisch, redeneert en controleert de driften door hun bevrediging uit te stellen
en af te remmen naar aanvaardbare doelstellingen. Het Ich-gedrag is de interactie
met de buitenwereld.
3. Über-Ich (Superego) - Het geweten ontwikkelt zich rond het 5e levensjaar en ontstaat
door een identificatieproces met de belonende en straffende, de ouders. De
ouderlijke gedragsregels en attitudes worden overgenomen. Door het Über-Ich weet
de individu wat goed en kwaad is. Ook is het verantwoordelijk voor gevoelens van
schuld en schaamte.
De vijf stadia van driftontwikkeling
De orale fase (0-1 jaar): Lustbevrediging door middel van voeding, duimzuigen etc.
De anale fase (1-3 jaar): Zindelijk worden dus fascinatie voor de erogene zone van de anus.
De fallische fase (3-6 jaar): Lustbevrediging door het onderzoeken van de genitaliën.
De latentiefase (6-12 jaar): Grote drang van weten en het kind wordt minder egocentrisch.
De genitale fase (na 12 jaar): lustbevrediging door de ontwikkeling van de geslachtsdrift.
Hoofdstuk 2 Ontwikkelingspsychologische theorieën
Hoe kijk je naar een mens?
Alle onderzoekers kijken door een andere bril en iedereens visie is waardevol.
Er bestaan veel verschillende theorieën over ontwikkeling, een aantal op een rij:
2.1. Psycho-analyse (Freud)
2.2. Cognitieve theorieen (o.a. Piaget en Vygotsky)
2.3. Behaviorisme/sociale leertheorie (Watson, Skinner)
2.4. Psychosociale theorie (Erickson)
2.5. Ethologie (Lorenz)
2.6. Ecologisch model (Bronfenbrenner)
2.7. Evolutionair perspectief (Darwin)
1. De psychoseksuele ontwikkelingstheorie van Sigmund Freud (1856-1939)
Kijkt naar het onderbewuste dus naar de innerlijke krachten.
Gedrag wordt gemotiveerd door krachten, driften, conflicten en herinneringen
waarvan mensen zich nauwelijks bewust is en waarover een mens zich nauwelijks
bewust is.
Drie aspecten van de persoonlijkheid
1. Es (ID) - Het primitieve aspect is het oudste deel van de persoonlijkheid. Het Es-
gedrag wordt geleid door het lustprincipe. De functie van het Es is het onmiddellijk
bevredigen van driften.
2. Ich (Ego) - Het rationele aspect ontwikkelt zich tijdens de eerste levensjaren. Het Ich
is realistisch, redeneert en controleert de driften door hun bevrediging uit te stellen
en af te remmen naar aanvaardbare doelstellingen. Het Ich-gedrag is de interactie
met de buitenwereld.
3. Über-Ich (Superego) - Het geweten ontwikkelt zich rond het 5e levensjaar en ontstaat
door een identificatieproces met de belonende en straffende, de ouders. De
ouderlijke gedragsregels en attitudes worden overgenomen. Door het Über-Ich weet
de individu wat goed en kwaad is. Ook is het verantwoordelijk voor gevoelens van
schuld en schaamte.
De vijf stadia van driftontwikkeling
De orale fase (0-1 jaar): Lustbevrediging door middel van voeding, duimzuigen etc.
De anale fase (1-3 jaar): Zindelijk worden dus fascinatie voor de erogene zone van de anus.
De fallische fase (3-6 jaar): Lustbevrediging door het onderzoeken van de genitaliën.
De latentiefase (6-12 jaar): Grote drang van weten en het kind wordt minder egocentrisch.
De genitale fase (na 12 jaar): lustbevrediging door de ontwikkeling van de geslachtsdrift.