100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting - wiskunde 2 (ML109d)

Rating
-
Sold
-
Pages
37
Uploaded on
30-05-2023
Written in
2022/2023

Samenvatting van de cursustekst met voorbeelden, ppt inbegrepen en eigen notities.

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
May 30, 2023
Number of pages
37
Written in
2022/2023
Type
Summary

Subjects

Content preview

Hoofdstuk I: Oriëntatie op de ruimte

1. Leerdoelen m.b.t. vakdidactiek
Doelen:

- Je kan de fasen in de ruimtelijke oriëntatie uitleggen en je kan deze illustreren a.d.h.v.
voorbeelden.
- Je kan de leerplandoelen i.v.m. ruimtelijke oriëntatie illustreren a.d.h.v. concrete activiteiten
voor lln.


2. Fasen in de ruimtelijke oriëntatie
Fase 1: waarnemen, direct en indirect:

- Direct= in de werkelijkheid
- Indirect= op foto’s en tekeningen
 Ontstaan: intuïtieve meetkundige begrippen via kijken en handelen wordt de waarneming
geobjectiveerd.
Vb. ver, recht, dichtbij…
Vb. een huis dat ver weg is, lijkt kleiner

Fase 2: innemen van een standpunt:

 Ontwikkeling van: vaardigheden die nodig zijn bij het bedenken van wat je in een ander
standpunt ziet.
o Start in de realiteit

Vb. ga ergens staan zodat je de bal niet ziet.

Fase 3: het beschrijven van een object:

 Beschrijvingsmiddelen worden preciezer en formeler
o 1 foto= te weinig informatie! (meer precieze beschrijvingsmiddelen geven)
Vb. de kast staat rechts van de tafel

Fase 4: zich een mentaal beeld vormen

Fase 5: het handelen aan een mentale voorstelling:

 Fase 4 en 5= samen
 Meestal een beroep op ruimtelijk voorstellingsvermogen in het kader van een
probleemstelling.
 Mentale voorstelling is noodzakelijk hier

Vb. de ontwikkeling van een balk

Besluit:
 Ruimtelijke oriëntatie= het innemen van een standpunt.
 Juist vaktaal:
o bovenaanzicht, zijaanzicht, vooraanzicht, plattegrond, maquette, hoogteplan, één-, twee-
en driedimensionale
o termen die richting aanduiden (omhoog, omlaag, vooruit, achteruit, naar links, naar
rechts, naar mij toe, van mij weg, dichterbij, langs, over, opzij, schuin, in de richting
van, ...)

1

, o termen die een plaats aanduiden (naast, op, onder, voor, achter, links, rechts, op elkaar,
tegenover, tussen, ...)
o termen die afstand aanduiden (ver weg, dichtbij, vlak naast, tegen, ...)



3. Didactische suggesties
 Essentiële doel: leerlingen leren een mentaal standpunt innemen
 Vanaf de oudste kleuters
 bv. kleuters beschrijven met woorden waar een schat verborgen ligt in de klas
 bv. kleuters geven op een plattegrond aan waar de poppenhoek is, waar het toilet is,
waar de zandtafel staat, …
 bv. een tekendictee: de kleuters tekenen wat de leerkracht beschrijft
 vanaf de eerste graad:
 bv. maken van maquette van de klas in Lego
 bv. tekenen van een plattegrond van hun slaapkamer
 bv. elkaar aanwijzingen geven waar iets verstopt ligt
 bv. werken met het stratenplan van de schoolomgeving
 Vanaf de tweede graad:
 bv. foto’s en plattegronden van een gebouw vergelijken
 bv. blokkenbouwsels met vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht, …
 bv. spelen met perspectief op foto’s

CSA-model! Bv. eerst bouwen met echte blokken, daarna aanzichten tekenen en kleuren en tot slot
mentaal redeneren a.d.h.v. een tekening

Hoofdstuk II: Vormleer

1. Leerdoelen m.b.t. eigen rekenvaardigheden
Doelen:

- Je kan de begrippen i.v.m. vormleer (lijnen, hoeken, vlakke figuren en
- ruimtefiguren) gebruiken in toepassingen.
- Je kan een hoek meten met een geodriehoek.
- Je kan een hoek tekenen met een geodriehoek.
- Je kan vlakke figuren classificeren volgens grenslijn.
- Je kan driehoeken benoemen.
- Je kan driehoeken tekenen als afmetingen of hoeken gegeven zijn.
- Je kan driehoeken classificeren volgens de zijden, volgens de hoeken, volgens de
symmetrieassen.
- Je kan vierhoeken benoemen.
- Je kan vierhoeken tekenen als afmetingen, hoeken of eigenschappen gegeven
zijn.
- Je kan vierhoeken classificeren volgens de evenwijdigheid van de zijden,
gelijkheid van zijden en/of van hoeken, eigenschappen van de diagonalen, het
aantal symmetrieassen.
- Je kan uitspraken i.v.m. eigenschappen van vierhoeken beoordelen naar
- waarheidswaarde.
- Je kan veelhoeken classificeren volgens gelijkheid van zijden en hoeken.
- Je kan een cirkel tekenen en de elementen van een cirkel aanduiden en
- benoemen.

2

, - Je kan ruimtefiguren classificeren in veelvlakken en niet-veelvlakken.
- Je kan de ruimtefiguren kubus, balk, piramide, prisma, bol, cilinder en kegel en
hun eigenschappen benoemen.

2. Leerdoelen m.b.t. vakdidactiek
Doelen:

- Je kan de leerplandoelen i.v.m. vormleer linken aan het juiste niveau in het meetkundig
denken volgend Mayberry.
- Je kan lessen vormleer voor de lagere school uitwerken, rekening houdend met de
didactische aandachtspunten uit de cursus.
- Je kan kritisch kijken naar handleidingen en lessen uit de handleiding aanpassen,
rekening houdend met de didactische aandachtspunten.



3. Niveaus van meetkundig denken en didactische principes
3.1 Meetkunde: benaderingen
ste
1 benadering: vertrekkend vanuit de waarneming van de omringende ruimte.

 De leerlingen ervaren, herkennen en ontdekken punten, lijnen, oppervlakken en lichamen
door zich te bewegen in de ruimte, door te kijken en te handelen met meetkundige figuren
a) Een lichaam is iets wat plaats inneemt in de ruimte. Waar zich een lichaam bevindt, kan zich
niets anders bevinden.
b) Een oppervlak is de begrenzing van een lichaam (we kunnen over het oppervlak van een
voorwerp wrijven). Deze oppervlakken kunnen gebogen of vlak (‘plat’) zijn. In het laatste
geval spreken we over ‘vlakken’.
c) Een lijn is een begrenzing van een oppervlak. Of: een lijn is de snijding van twee
oppervlakken.
d) Een punt is de begrenzing van een lijn. Of: een punt is de snijding van twee lijnen.

2de benadering: meer dynamisch en vertrekt vanuit een punt.

a) Een punt is een plaats in de ruimte, zonder afmetingen. Euclides beschrijft een punt als iets
wat geen delen heeft.
b) Een lijn ontstaat door de beweging van een punt.
c) Een oppervlak ontstaat door de beweging van een lijn.
d) Een lichaam ontstaat door de beweging van een oppervlak.

3.2 Niveaus van meetkundig denken
Niveau 1: meetkundige figuren worden globaal waargenomen, herkend en benoemd.

 Lln bewegen door ruimte.
 Lln kijken en handelen met voorwerpen uit omgeving en vlakke figuren.

Vb. Laat kinderen naar vloertegels kijken. Welke vorm heeft deze vloertegel? Sommige kinderen
weten al dat dit een vierkant is. Kinderen zullen in staat zijn om in de klas nog andere vierkanten aan
te wijzen. Bij een volgende stap kan een kind in een reeks tekeningen aanwijzen welke tekeningen
vierkanten zijn en welke niet (‘dat is een vierkant’).

Niveau 2: eigenschappen worden geïsoleerd vastgelegd, zonder verbanden tussen de verschillende
eigenschappen.

Vb. een vierkant heeft vier gelijke zijden

3

, Niveau 3: definities krijgen hier betekenis, waarbij verbanden tussen eigenschappen worden
aangegeven.

 Lln kunnen figuren rubriceren

Vb. aangeven of een rechthoekige driehoek gelijkbenig is.

Niveau 4 & 5: deductieve redeneringen hanteren en wiskundige bewijzen opbouwen.

 Middelbaar!

3.3 Vormleer in de lagere school: didactische principes
Eerste stap: op zoek gaan naar eenvoudige vormen in de leefwereld van de leerlingen

Vb. “Welke vorm heeft onze klok?” -> “Die is rond”

Tweede stap: leerlingen handelen met figuren

 vouwen, knippen, kleuren, op elkaar leggen, ...
 zelf figuren tekenen of maken met rietjes, spijkerplankjes, elastiekjes, ...
 op deze manier gaan leerlingen zelf eigenschappen ontdekken

bv. sommige rechthoeken staan precies ‘schuin’ -> parallellogram

Derde stap: relaties tussen figuren onderling en hun eigenschappen

bv. een rechthoek is ook een trapezium

4. Lijnen
Lijn= een begrenzing van een oppervlak OF de snijding van twee oppervlakken.

Punt= de begrenzing van een lijn OF de snijding van twee lijnen.

4.1 Soorten lijnen
Een rechte = een rechte lijn die aan beide kanten onbegrensd doorloopt.

Een rechte lijn=

- “Van alle lijnen die twee punten verbinden, is de rechte lijn de kortste” (Archimedes).
- “De lijn die niet van positie verandert tijdens haar wenteling rond haar eindpunten of rond
twee van haar punten noemen we een rechte lijn” (H

Een halve rechte= elk van de twee delen waarin een rechte verdeeld wordt door een punt van de
rechte (het grenspunt)

- Elke rechte is steeds drager van twee halve rechten.



Een lijnstuk= een deel van een rechte begrensd door twee punten.

- Punten= grenspunten of eindpunten
- Grenspunt wordt benoemd met GROTE letter

Een gebroken lijn= bestaat uit een opeenvolging van lijnstukken die niet alle op één rechte liggen.

Een gebogen lijn= een lijn die niet recht en niet gebroken is.

Een gesloten lijn= een gebogen lijn die in hetzelfde punt terecht komt.

4

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
lodg Katholieke Hogeschool Leuven
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
53
Member since
3 year
Number of followers
14
Documents
23
Last sold
1 month ago

3.4

8 reviews

5
0
4
5
3
2
2
0
1
1

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions