Begrijp onderwijs
1. Horizontale pijlers
1.1. Vrijheid van onderwijs
Het onderwijs is vrij -> grondwet (1831)
Toegang tot onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht
- vrije schoolkeuze: passief, vrijheid voor onderwijsgebruikers om onderwijs te kiezen
dan aansluit bij de eigen overtuigingen
- pedagogische vrijheid
- vrijheid van inrichting van onderwijs: actief, vrijheid van de onderwijsverstrekkers om
onderwijs te organiseren en er inhoudelijk vorm aan te geven
vrijheid inrichting onderwijs:
wet- Nothomb (1842): iedere gemeente moest een lagere school hebben (om analfabetisme
aan te pakken)
-> uitbreiding naar het middelbaar (1950)
Eerste schoolstrijd (1878- 1884): Katholiek onderwijs vs. Officieel onderwijs
Wet- Van Humbeeck (1879):
Elke gemeente werd verplicht een eigen officiële lagere school te hebben
het was verboden om een vrije school aan te nemen of te subsidiëren
alle leraren moesten een diploma hebben van een Rijksnormaalschool
het godsdienstonderwijs moest buiten de school worden verzorgt
Zelfde regeling voor het middelbaar onderwijs (1881)
Tweede schoolstrijd (1950- 1958):
Wet- Collard (1955):
de subsidies voor het katholiek onderwijs werden afgeschaft
extra rijksscholen werden opgericht
er kwamen commissies die toezicht hielden in het katholiek onderwijs
Schoolpactwet (1959)
- waarborgde het bestaan van officieel en vrij onderwijs
officieel onderwijs: ingericht door/ in opdracht van de staat, provincie, gemeente
vrij onderwijs: niet ingericht door/ in opdracht van de staat, provincie, gemeente
- recht op onderwijs van een erkende levensbeschouwing (in officieel onderwijs)
- subsidiëringsvoorwaarden: onderwijs die niet georganiseerd wordt door de overheid
aanvaardt overheidscontroles in ruil voor subsidiëring
- leerplicht onderwijs is gratis
1
1. Horizontale pijlers
1.1. Vrijheid van onderwijs
Het onderwijs is vrij -> grondwet (1831)
Toegang tot onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht
- vrije schoolkeuze: passief, vrijheid voor onderwijsgebruikers om onderwijs te kiezen
dan aansluit bij de eigen overtuigingen
- pedagogische vrijheid
- vrijheid van inrichting van onderwijs: actief, vrijheid van de onderwijsverstrekkers om
onderwijs te organiseren en er inhoudelijk vorm aan te geven
vrijheid inrichting onderwijs:
wet- Nothomb (1842): iedere gemeente moest een lagere school hebben (om analfabetisme
aan te pakken)
-> uitbreiding naar het middelbaar (1950)
Eerste schoolstrijd (1878- 1884): Katholiek onderwijs vs. Officieel onderwijs
Wet- Van Humbeeck (1879):
Elke gemeente werd verplicht een eigen officiële lagere school te hebben
het was verboden om een vrije school aan te nemen of te subsidiëren
alle leraren moesten een diploma hebben van een Rijksnormaalschool
het godsdienstonderwijs moest buiten de school worden verzorgt
Zelfde regeling voor het middelbaar onderwijs (1881)
Tweede schoolstrijd (1950- 1958):
Wet- Collard (1955):
de subsidies voor het katholiek onderwijs werden afgeschaft
extra rijksscholen werden opgericht
er kwamen commissies die toezicht hielden in het katholiek onderwijs
Schoolpactwet (1959)
- waarborgde het bestaan van officieel en vrij onderwijs
officieel onderwijs: ingericht door/ in opdracht van de staat, provincie, gemeente
vrij onderwijs: niet ingericht door/ in opdracht van de staat, provincie, gemeente
- recht op onderwijs van een erkende levensbeschouwing (in officieel onderwijs)
- subsidiëringsvoorwaarden: onderwijs die niet georganiseerd wordt door de overheid
aanvaardt overheidscontroles in ruil voor subsidiëring
- leerplicht onderwijs is gratis
1