o Ontstaat wanneer men wel stilstaat bij de werkelijkheid of een traumatische ervaring heeft
meegemaakt
o Leidt tot gevoel v onveiligheid, kan leiden tot verlies v controle
SAMENVATTING H7
H8. BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
1. TYPERING V D BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
1.1 BASISUITGANGSPUNTEN
64
, 1. Interne factoren staan centraal
a. Biologisch correlaat: gedrag, gedachten, emoties en motieven correleren met biologische
processen
(vb. lichaam is aan het vechten tegen ziekte, energie kan niet naar het volgen v les gaan ->
negatieve correlatie, meedoen aan een wedstrijd, bij de start veel adrenaline dus meer zin
om mee te doen en er voor te gaan -> positieve correlatie)
2. Reductie
a. Oorzaak v gedrag is vast te stellen door (biologische) mens te reduceren tot kleinste details
3. Twee belangrijke oorzaken v gedrag
a. Erfelijke aanleg: DNA
i. Stuurt gedrag en ontwikkeling ervan
b. Hersenen
i. Zonder hersenen is gedrag onmogelijk
4. Evolutie
a. Mens = dier
1.2 MENSBEELD
Mens = product v langdurige evolutionaire geschiedenis
- Gedragsmogelijkheden zijn genetisch vastgelegd, maar hebben zich ontwikkeld door constante
aanpassing aan veranderende omgeving
Mens = beschreven blad
- Erfelijke bagage ligt v te voren vast
- Erfelijke bagage bepaalt/beïnvloedt het gedrag
Kind ≠ volwassene
- Kinderen zijn nog in ontwikkeling en hebben dus nog niet dezelfde mogelijkheden
Mens ≠ baas in eigen brein
- (Grootste deel v) informatieverwerking verloopt onbewust
Aan mens kan geknutseld worden
- Alles wordt geheel bepaald door fysische en chemische processen
o Processen zijn veranderbaar -> gedrag is veranderbaar
Mens ≠ verantwoordelijk voor eigen gedrag
- Al ons gedrag wordt bepaald door eigenschappen v organisme
1.3 INDELING
65
meegemaakt
o Leidt tot gevoel v onveiligheid, kan leiden tot verlies v controle
SAMENVATTING H7
H8. BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
1. TYPERING V D BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
1.1 BASISUITGANGSPUNTEN
64
, 1. Interne factoren staan centraal
a. Biologisch correlaat: gedrag, gedachten, emoties en motieven correleren met biologische
processen
(vb. lichaam is aan het vechten tegen ziekte, energie kan niet naar het volgen v les gaan ->
negatieve correlatie, meedoen aan een wedstrijd, bij de start veel adrenaline dus meer zin
om mee te doen en er voor te gaan -> positieve correlatie)
2. Reductie
a. Oorzaak v gedrag is vast te stellen door (biologische) mens te reduceren tot kleinste details
3. Twee belangrijke oorzaken v gedrag
a. Erfelijke aanleg: DNA
i. Stuurt gedrag en ontwikkeling ervan
b. Hersenen
i. Zonder hersenen is gedrag onmogelijk
4. Evolutie
a. Mens = dier
1.2 MENSBEELD
Mens = product v langdurige evolutionaire geschiedenis
- Gedragsmogelijkheden zijn genetisch vastgelegd, maar hebben zich ontwikkeld door constante
aanpassing aan veranderende omgeving
Mens = beschreven blad
- Erfelijke bagage ligt v te voren vast
- Erfelijke bagage bepaalt/beïnvloedt het gedrag
Kind ≠ volwassene
- Kinderen zijn nog in ontwikkeling en hebben dus nog niet dezelfde mogelijkheden
Mens ≠ baas in eigen brein
- (Grootste deel v) informatieverwerking verloopt onbewust
Aan mens kan geknutseld worden
- Alles wordt geheel bepaald door fysische en chemische processen
o Processen zijn veranderbaar -> gedrag is veranderbaar
Mens ≠ verantwoordelijk voor eigen gedrag
- Al ons gedrag wordt bepaald door eigenschappen v organisme
1.3 INDELING
65