WEEK 1
Beleidseconomie
- Analyse van economisch beleid
- Instituties, zoals belastingen
- Overheidsbestedingen
- Beleidshervormingen
- ‘Doorrekeningen’
- Publiek of privaat?
Financieel economisch beleid
- Collectieve uitgaven
- Collectieve inkomsten
- Regulering (wettelijke grondslagen voor alle inkomsten/uitgaven van de overheid)
Perspectieven op overheidsbeleid
1) Efficiëntie: meer welvaart/welzijn bij gegeven middelen
2) Rechtvaardigheid/verdeling (gaat vaak gepaard met transactiekosten)
3) Uitvoerbaarheid
Functies van overheidsingrijpen
1) Allocatiefunctie: ingrijpen op markten i.v.m. marktimperfecties
- Marktmacht, externe effecten, collectieve goederen, informatieproblemen
- Regels + subsidies/heffingen bij niet Pareto-efficiënte markten -> gedrag van burgers sturen
2) Verdelingsfunctie
- Belastingheffing, sociale verzekeringen, toeslagen
3) Stabilisatiefunctie
- Evenwicht op de arbeidsmarkt, stabiel prijspeil, duurzame economische groei, rust op
financiële markten
- Begrotingsbeleid: hoogconjunctuur = belastingen omhoog
Effect van overheidsingrijpen
- Incidentele (korte termijn) vs structurele (lange termijn) maatregelen
- Fiscale multiplier en het equivalentiebeginsel
- Procyclisch vs anticyclisch begrotingsbeleid
- Automatische stabilisatoren
Instrumenten van overheid
- Wetgeving (vergunningen)
- Subsidies/heffingen
- Voorlichting
--> Alternatief = onderhandelen: Coase’s theorem
Verdelingsfunctie -> Gini index
- Kijkt naar inkomensongelijkheid, niet vermogensongelijkheid
Economische scholen
- Keynesianen
- Bij tekortschietende effectieve vraag zorgt de markt niet voor automatisch herstel
(stabilisatiefunctie) -> anti-cyclisch begrotingsbeleid
- Monetaristen
, - Begrotingsbeleid werkt destabiliserend door vertragingen in beleid -> wat de ECB doet heeft
wel invloed op conjunctuur
- Neoklassieken
- Structurele economische problemen los je niet op met Keynesiaans beleid -> marktwerking
- Ricardianen
- Burgers compenseren extra overheidsbestedingen of belastingverlagingen volledig
‘There is no such thing as free lunch’ -> equivalentiebeginsel
- Overheid gaat meer uitgeven -> burgers en bedrijven weten dat de belastingen omhoog
gaan uiteindelijk -> ze gaan meer sparen
- Dus alles wat de overheid extra uitgeeft, gaan burgers en bedrijven minder uitgeven
-> per saldo verandert er niks
(Expansief beleid heeft weinig effect in een open economie)
Begrotingsbeleid op korte termijn
- Belangrijke rol voor beslechten argumenten van economische scholen is weggelegd voor de fiscale
multiplier
Toename BBP ∈ procent
Toename ( of afname ) overheidsbestedingen∈ procentpunt van BBP
Fiscale multiplier:
- Hoe hoger de multiplier, hoe meer effect extra bestedingen of belastingverlagingen hebben
- Hoger dan 1 impliceert ‘free lunch’
- Multipliers zijn gemiddeld hoger tijdens stijgende werkloosheid
- Tijdens de Grote Recessie (2008) was fiscale multiplier hoger
- Mensen konden relatief weinig lenen en er was weinig behoefte aan sparen
Korte termijn: de Grote Recessie
- Sterke stijging tekorten en schulden door lagere belastinginkomsten en meer
werkloosheidsuitkeringen
- Forse steun overheid aan financiële sector
- Rutte I en II: forse bezuinigingen en lastenverzwaringen om overheidsfinanciën te herstellen -> is
gelukt maar critici stellen dat beleid de economische groei heeft gedempt
Effect bezuinigingen tijdens Grote Recessie -> Jacobs
- Door te bezuinigen is de economische groei gedempt
- Uitblijven bezuinigingen had beperkt effect op staatsschuld door inverdieneffecten
- Bezuinigingen zijn nodig voor structureel houdbare overheidsfinanciën -> Jacobs
Lange termijn: hoe erg zijn schulden en tekorten?
- Structureel hogere schuldquotes reduceert effectiviteit stimulerend beleid
- Door o.a. Ricardiaanse equivalentie
- Overheid betaalt dan hoge rentelasten (bij ‘normale rente’)
- Indien overheidsfinanciën niet houdbaar, mogelijke spiraalwerking oplopende rentes (kredietrisico)
- Draait om vertrouwen bij beleggers
- Nederland heeft tijdelijk AAA-status S&P verloren, waardoor rente omhoog ging
- Bij hoge schulden schuif je problemen door naar volgende generaties
- Tegelijkertijd: druk om schuld op te laten lopen, want rente is historisch laag!
- Zolang economische groei hoger is dan de rente is lenen voordelig
- Argument voor Nationaal Groeifonds
- Maar ook kritiek: wat zijn goede investeringen?
, Houdbare overheidsfinanciën
- Houdbaar: schuldquote blijft constant op de lange termijn
- Dit is het geval als de staatsschuld net zo hard groeit als de economie (BBP)
- Verhouding moet gelijk blijven!
- Bepalend hiervoor zijn economische groei en rente
Definities
- Financieringssaldo: opbrengsten – uitgaven (excl. staatsaflossingen)
- Structureel saldo: financieringstekort na schoning voor conjunctuur
- Houdbaarheidssaldo: financieringssaldo op lange termijn bij ongewijzigd beleid
Sub-sectoren van de overheid
1) Centrale overheid
- Hoogste bestuurslaag -> ministeries + uitvoeringsorganisaties + universiteiten (EU niet!)
2) Decentrale overheden
- Gemeenten + provincies etc.
3) Sociale fondsen
- Algemeen Ouderdomsfonds (AOW) + Zorgverzekeringsfonds etc.
Grenzen van overheidsmacht
1) Wettelijke kaders voor het overheidsoptreden
- Beginselen van behoorlijk bestuur
2) Gedragsreacties en beleidsconcurrentie
3) Invloed van de EU
Collectieveuitgaven
Uitgavenquote =
BBP
- Subsidies tellen wel mee, fiscale tegemoetkomingen niet
Verklaringen collectieve uitgaven
- Baumol-effect
- Politieke economie
- Kessler
De Ridder (2020)
- Multiplier >1 = free lunch (vaak in crisis)
- Multiplier < 1 = crowding out
De Haan en Hoogduin (2020)
- Coronacrisis laat zien hoe belangrijk financiële degelijkheid is
Wensveen (2017)
- Houdbaarheidssaldo is een slechte meetlat voor beleid, want arbitrair en gebaseerd op vergrijzing
- Schulden aflossen slecht idee, het is niet hetzelfde als buffers opbouwen.
- Tegenvoorstel: Fond economische structuurversterking oprichten/ activeren. ven.
Beleidseconomie
- Analyse van economisch beleid
- Instituties, zoals belastingen
- Overheidsbestedingen
- Beleidshervormingen
- ‘Doorrekeningen’
- Publiek of privaat?
Financieel economisch beleid
- Collectieve uitgaven
- Collectieve inkomsten
- Regulering (wettelijke grondslagen voor alle inkomsten/uitgaven van de overheid)
Perspectieven op overheidsbeleid
1) Efficiëntie: meer welvaart/welzijn bij gegeven middelen
2) Rechtvaardigheid/verdeling (gaat vaak gepaard met transactiekosten)
3) Uitvoerbaarheid
Functies van overheidsingrijpen
1) Allocatiefunctie: ingrijpen op markten i.v.m. marktimperfecties
- Marktmacht, externe effecten, collectieve goederen, informatieproblemen
- Regels + subsidies/heffingen bij niet Pareto-efficiënte markten -> gedrag van burgers sturen
2) Verdelingsfunctie
- Belastingheffing, sociale verzekeringen, toeslagen
3) Stabilisatiefunctie
- Evenwicht op de arbeidsmarkt, stabiel prijspeil, duurzame economische groei, rust op
financiële markten
- Begrotingsbeleid: hoogconjunctuur = belastingen omhoog
Effect van overheidsingrijpen
- Incidentele (korte termijn) vs structurele (lange termijn) maatregelen
- Fiscale multiplier en het equivalentiebeginsel
- Procyclisch vs anticyclisch begrotingsbeleid
- Automatische stabilisatoren
Instrumenten van overheid
- Wetgeving (vergunningen)
- Subsidies/heffingen
- Voorlichting
--> Alternatief = onderhandelen: Coase’s theorem
Verdelingsfunctie -> Gini index
- Kijkt naar inkomensongelijkheid, niet vermogensongelijkheid
Economische scholen
- Keynesianen
- Bij tekortschietende effectieve vraag zorgt de markt niet voor automatisch herstel
(stabilisatiefunctie) -> anti-cyclisch begrotingsbeleid
- Monetaristen
, - Begrotingsbeleid werkt destabiliserend door vertragingen in beleid -> wat de ECB doet heeft
wel invloed op conjunctuur
- Neoklassieken
- Structurele economische problemen los je niet op met Keynesiaans beleid -> marktwerking
- Ricardianen
- Burgers compenseren extra overheidsbestedingen of belastingverlagingen volledig
‘There is no such thing as free lunch’ -> equivalentiebeginsel
- Overheid gaat meer uitgeven -> burgers en bedrijven weten dat de belastingen omhoog
gaan uiteindelijk -> ze gaan meer sparen
- Dus alles wat de overheid extra uitgeeft, gaan burgers en bedrijven minder uitgeven
-> per saldo verandert er niks
(Expansief beleid heeft weinig effect in een open economie)
Begrotingsbeleid op korte termijn
- Belangrijke rol voor beslechten argumenten van economische scholen is weggelegd voor de fiscale
multiplier
Toename BBP ∈ procent
Toename ( of afname ) overheidsbestedingen∈ procentpunt van BBP
Fiscale multiplier:
- Hoe hoger de multiplier, hoe meer effect extra bestedingen of belastingverlagingen hebben
- Hoger dan 1 impliceert ‘free lunch’
- Multipliers zijn gemiddeld hoger tijdens stijgende werkloosheid
- Tijdens de Grote Recessie (2008) was fiscale multiplier hoger
- Mensen konden relatief weinig lenen en er was weinig behoefte aan sparen
Korte termijn: de Grote Recessie
- Sterke stijging tekorten en schulden door lagere belastinginkomsten en meer
werkloosheidsuitkeringen
- Forse steun overheid aan financiële sector
- Rutte I en II: forse bezuinigingen en lastenverzwaringen om overheidsfinanciën te herstellen -> is
gelukt maar critici stellen dat beleid de economische groei heeft gedempt
Effect bezuinigingen tijdens Grote Recessie -> Jacobs
- Door te bezuinigen is de economische groei gedempt
- Uitblijven bezuinigingen had beperkt effect op staatsschuld door inverdieneffecten
- Bezuinigingen zijn nodig voor structureel houdbare overheidsfinanciën -> Jacobs
Lange termijn: hoe erg zijn schulden en tekorten?
- Structureel hogere schuldquotes reduceert effectiviteit stimulerend beleid
- Door o.a. Ricardiaanse equivalentie
- Overheid betaalt dan hoge rentelasten (bij ‘normale rente’)
- Indien overheidsfinanciën niet houdbaar, mogelijke spiraalwerking oplopende rentes (kredietrisico)
- Draait om vertrouwen bij beleggers
- Nederland heeft tijdelijk AAA-status S&P verloren, waardoor rente omhoog ging
- Bij hoge schulden schuif je problemen door naar volgende generaties
- Tegelijkertijd: druk om schuld op te laten lopen, want rente is historisch laag!
- Zolang economische groei hoger is dan de rente is lenen voordelig
- Argument voor Nationaal Groeifonds
- Maar ook kritiek: wat zijn goede investeringen?
, Houdbare overheidsfinanciën
- Houdbaar: schuldquote blijft constant op de lange termijn
- Dit is het geval als de staatsschuld net zo hard groeit als de economie (BBP)
- Verhouding moet gelijk blijven!
- Bepalend hiervoor zijn economische groei en rente
Definities
- Financieringssaldo: opbrengsten – uitgaven (excl. staatsaflossingen)
- Structureel saldo: financieringstekort na schoning voor conjunctuur
- Houdbaarheidssaldo: financieringssaldo op lange termijn bij ongewijzigd beleid
Sub-sectoren van de overheid
1) Centrale overheid
- Hoogste bestuurslaag -> ministeries + uitvoeringsorganisaties + universiteiten (EU niet!)
2) Decentrale overheden
- Gemeenten + provincies etc.
3) Sociale fondsen
- Algemeen Ouderdomsfonds (AOW) + Zorgverzekeringsfonds etc.
Grenzen van overheidsmacht
1) Wettelijke kaders voor het overheidsoptreden
- Beginselen van behoorlijk bestuur
2) Gedragsreacties en beleidsconcurrentie
3) Invloed van de EU
Collectieveuitgaven
Uitgavenquote =
BBP
- Subsidies tellen wel mee, fiscale tegemoetkomingen niet
Verklaringen collectieve uitgaven
- Baumol-effect
- Politieke economie
- Kessler
De Ridder (2020)
- Multiplier >1 = free lunch (vaak in crisis)
- Multiplier < 1 = crowding out
De Haan en Hoogduin (2020)
- Coronacrisis laat zien hoe belangrijk financiële degelijkheid is
Wensveen (2017)
- Houdbaarheidssaldo is een slechte meetlat voor beleid, want arbitrair en gebaseerd op vergrijzing
- Schulden aflossen slecht idee, het is niet hetzelfde als buffers opbouwen.
- Tegenvoorstel: Fond economische structuurversterking oprichten/ activeren. ven.