Basisstof 1
Bij kanker is de celdeling ontregeld, er ontstaat een gezwel (tumor).
Biopsie = het verzamelen van weefsel.
Biopt = het afgenomen weefsel.
Een biopsie wordt niet alleen gedaan bij een tumor, maar ook om andere afwijkingen op te
sporen. Het is belangrijk om op de juiste plaats een biopt af te nemen, maar dit is moeilijk.
De arts stuurt het afgenomen weefsel naar een pathologisch lab.
Een pathologisch laborant bekijkt het weefsel hij beschrijft hoe het eruit ziet
het wordt in was gegoten hij snijdt het in hele dunne plakjes hij legt ze op een
glasplaat het weefsel wordt gekleurd diverse structuren/cellen krijgen diverse
kleuren hij bekijkt het onder de microscoop hij stelt vast of het goed- of
kwaadaardig is.
Regelmatig moet hij extra onderzoek doen bijvoorbeeld stoffen toevoegen of het onder een
elektronenmicroscoop bekijken.
Basisstof 2
Om cellen met een microscoop te bekijken moet je eerst een preparaat maken. Bij
lichtmicroscopen moet het preparaat heel dun zijn om het licht er door te laten.
Lichtmicroscopen vergroten tot 2000 x, elektronenmicroscopen vergroten tot meer dan
100000 x.
Tegenwoordig zijn elektronenmicroscopen aangesloten op een computer. De computer
bijwerkt de beelden en kleurt ze in zodat je de structuren beter kunt zien (dat zijn niet de
echte kleuren!).
Er zijn twee type elektronenmicroscopen:
TEM = transmissie-elektronenmicroscoop, geeft een beeld dat lijkt op die van een
lichtmicroscoop.
SEM = scanning elektronenmicroscoop, geeft een 3D beeld.
Basisstof 3
Celmembraan
Omgeeft een cel.
Scheidt het inwendige cytoplasma van de cel, van zijn omgeving. Hierdoor vind
selectieve opname en afgifte van stoffen plaats. Via stoffen die zich hier aan hechten
vindt communicatie tussen cellen plaats.
Bestaat voor een groot deel uit vetmoleculen, hierdoor wordt het inwendige van de
cel, het cytoplasma, gescheiden van het milieu buiten de cel.
Door chemische reacties kan een cel zich in stand houden.