Basisstof 1
Tijdens de ontwikkeling van een kind naar volwassene maken mensen een periode door
waarin grote lichamelijke en geestelijke veranderingen plaatsvinden.
Pubertijd = de periode van de lichamelijke verandering.
Adolescentie = de periode van de geestelijke ontwikkeling.
Na de pubertijd komt de adolescentie.
Hormonen = chemische stoffen die via hormoonklieren in het bloed komen.
Bloed weefselvloeistof cellen.
Cellen die gevoelig zijn voor een bepaald hormoon, reageren op de veranderingen van de
concentratie van dit hormoon (bijvoorbeeld stoffen afgeven).
Cel communicatie = cellen wisselen informatie uit.
Geslachtshormonen = spelen een rol bij de voortplanting.
De ontwikkeling van de geslachtsorganen begint als een embryo een aantal weken oud is.
Hierbij speelt de hoeveelheid van het mannelijke geslachtshormoon testosteron een
belangrijke rol. Veel testosteron? Dan wordt het een jongen. Weinig testosteron? Dan wordt
het een meisje.
Primaire geslachtskenmerken = geslachtskenmerken die je vanaf je geboorte hebt.
In de puberteit nemen de concentraties van de geslachtshormonen toe. Hierdoor treden er
lichamelijke veranderingen op en gaan jongens en meisjes meer van elkaar verschillen. Die
veranderingen worden ook wel secundaire geslachtskenmerken (= geslachtskenmerken die
komen in de puberteit) genoemd.
Balts = handeling voor het paren bij dieren.
Seksuele selectie = selectie van eigenschappen die de kans op voortplanting groter maakt.
Basisstof 2
Replicatie is een kopie van de DNA moleculen (voor de celdeling), na de replicatie bestaat
een chromosoom uit twee identieke DNA moleculen. De dochtercel krijgt een van beide
DNA-moleculen. Soms gaat dit fout en ontstaan er mutaties (=veranderingen in het DNA,
fouten).