Orthopedagogiek: iemand die kinderen begeleidt met ontwikkelproblemen, gedragsproblemen of
leerproblemen. Het is gericht op het individuele kind en de problematisch opvoeding als geheel. De
begeleiding komt tot stand naar aanleiding van een problematisch situatie.
Ontwikkel psychologie: de aandacht gaat naar de psychologische veranderingen van de mens per
levensfase. Ze kijken naar de periodes met de meeste verandering.
Pedagogiek: het bestuderen van de rol van opvoeders op de ontwikkeling van de kinderen. Er wordt
ook naar de interacties gekeken tussen het kind en zijn omgeving.
Hechtings-theorie (Bowlby): Hechting is het proces waarbij het kind leert een langdurige affectieve
relatie aan te gaan. Vanaf de geboorte zoekt een kind bescherming bij zijn ouders. Zijn de ouders
sensitief, bieden continuïteit en leven zich in bij het kind, dan zal het kind een veilige hechting
aangaan en zal het zelfvertrouwen krijgen. Als de ouders of de situatie het kind niet gezien laten
voelen, dan zal het kind een onveilige hechting aangaan en zal dit negatieve gevolgen hebben op zijn
zelfbeeld.
Sociale ontwikkeling (Erikson): in elke fase van het leven komt probleem naar voren. Wanneer het
kind het probleem heeft opgelost dan zal het verder gaan naar de volgende fase.
1e fase: Het kind moet vertrouwen krijgen door zorg en een veilige omgeving
2e fase: Het kind leert over liefde haat en zelfvertrouwen doormiddel van dingen zelf
gaan proberen.
3e fase: Het kind leert zelfstandig te zijn.
4e fase: Het kind ervaart dat door leren zijn kennis en vaardigheden vergroten.
5e fase: Het kind moet keuzes maken die zijn identiteit bepalen.
Psychoanalyse (Freud): Het verlangen is altijd onbewust aanwezig ook al heb je het verdrongen. Het
Id (het onbewuste verlangen), Superego (het geweten van onszelf) en Ego (het omgaan met Id en
Superego).
Orale fase: De focus ligt op de mond, omdat het kind daar de meeste prikkels ervaart. Het Id
staat centraal, het kind doet alles naar zijn eigen verlangen.
Anale fase: De focus ligt op de spijsvertering en blaas, omdat het kind zindelijk gaat
worden.
Fallische fase: de focus ligt bij de genitaliën, omdat het kind zijn genitaliën ontdekt.
Latente fase: Het Id wordt steeds meer onderdrukt en de Superego ontwikkelt zich steeds
meer.
Puberteit: Het doel is het vinden van een balans tussen seksualiteit en andere
levensgebieden. Het gebruiken van de Ego.
Morele ontwikkeling (Kohlberg): De morele ontwikkeling heeft et maken met het vormen van
normen en waarden.
1e fase: Het kind begint met leren van normen en waarden
2e fase: het kind heeft de normen en waarden van zijn omgeving in zijn systeem.
3e fase: Het kind denkt zelfstandig over de normen en waarden.
, Separatie (Mahler): Een baby is tot en met 5 maanden totaal afhankelijk van zijn verzorger, daarna
komt er langzaam een separatie.
1e fase: Het kind begint met experimenteren en ziet onderscheidt tussen zijn
moeder en andere mensen.
2e fase: Het kind is niet meer in paniek als zijn moeder weg is.
3e fase: Het kind heeft door dat zijn ouder geen verlengstuk is van hemzelf.
4e fase: Het kind ziet zijn ouders als individuen en er is nu sprake van objectcontantie.
Cognitieve ontwikkeling (Piaget): Een kind ontdekt door de wereld te exploren.
Senso-motorische fase: Het kind leert steeds meer via zijn zintuigen en door het bewegen,
ook leert hij dat zijn gedrag gevolgen heeft. Het kind gaat ook gedrag imiteren en na
een jaar object-constantie ontwikkelen.
Pre-operationele fase: Het kind zet zijn eigen gezichtspunt continu centraal (egocentrisch),
ziet geen onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid (animatisch denken), slaat
symbolen op (symbolische representatie) en heeft ook door dat dingen veranderen
van vorm (conservatie-concept).
Concreet-operationele fase: het kind kan nu logisch aan het denken en denkt nu niet
meer alleen vanuit zichzelf. Hij kan het verschil maken tussen fantasie en
werkelijkheid.
Formeel-operationele fase: Het kind is in staat om te redeneren vanuit een gedachte
of idee.
Naaste ontwikkeling (Vygotky): Het kind kan door interactie met zijn omgeving, profiteren van de
kennis van volwassenen. De naaste ontwikkeling is de zone waar een kind optimaal kan leren. Te
lang in de actuele zone en een kind verveelt zich en ontwikkeld dus niet. Te lang in de paniekzone en
het kind gaat stressen en wil niet meer verder ontwikkelen. Het kind moet worden uitgedaagd op
zijn niveau.
Actuele ontwikkeling: wat een kind kan.
Naaste ontwikkeling: wat een kind met hulp kan.
Paniekzone: een kind kan het niet en strest.
Het pedagogisch curriculum: Kinderen ontwikkelen zich doormiddel van spelen, ontdekken, ervaren
en reflecteren. Door interactie met andere kinderen en door deel te nemen aan activiteiten die
passen bij hun ontwikkelingsniveau kan de ontwikkeling gestimuleerd worden.
De 4 pedagogische basisdoelen van Riksen-Walraven:
Het bieden van emotionele en fysieke veiligheid: Het creëren van een vertrouwde en veilige
omgeving waarin een kind zich emotioneel en fysiek veilig kan voelen, waardoor het kind zijn
volledige potentie kan uiten.
Het bevorderen van persoonlijke competentie: Het stimuleren van de ontwikkeling van een
eigen identiteit, waardoor kinderen kun grenzen leren kennen en zelfstandigheid
ontwikkelen.
Het bevorderen van sociale competentie: Het stimuleren van de sociale ontwikkeling,
waardoor het kind kan leren omgaan met anderen.
Het bevorderen van socialisatie: het aanleren van normen en waarden van de samenleving.