Paragraaf 1
Om iets te maken zijn er heel veel handelingen nodig.
Voorbeeld: Om een potlood te maken heb je hout nodig, dat hout moet gekapt worden, daar heb je
machines voor nodig, die machines hebben brandstof nodig, om brandstof te winnen heb je weer
andere machines nodig, enz.
Zowel vragers als aanbieders proberen aan hun eigen belangen en behoeften zoveel mogelijk te
voldoen.
Consumenten > Willen zo goedkoop mogelijk iets kopen.
Producenten > Willen zo veel mogelijk winst maken.
Bij een marktvorm kijken we naar 2 vragen:
1. Hoe groot is het aantal aanbieders?
– Markt met 1 aanbieder. (Een waterbedrijf)
– Markt met weinig aanbieders. (Benzine stations, smartphones)
– Markt met veel aanbieders. ( Koffie, Tarwe)
Verschil tussen weinig en veel aanbieders= Bij weinig aanbieders kunnen de aanbieders de prijs
beïnvloeden, bij veel aanbieders kunnen ze dat niet.
2. Wat is de aard van het verhandelde product?
– Homogeen product= De consument kan geen onderscheid maken tussen de 2 producten.
(Mais, graan, suiker)
– Heterogeen product= De consument kan goed het verschil zien tussen 2 producten.
(Apple en Samsung)
Productdifferentiatie= Je product proberen te onderscheiden van de anderen soortgelijke
producten. (Een benzinepomp die ook starbucks aanbied)
Marktvormen kenmerken:
Volkomen concurrentie/ Volledige mededinging
1. Veel aanbieders
2. Veel vragers
3. Homogeen product
(Koffie, cacao, mais)
Monopolie
1. Één aanbieder (Als 1 aanbieder 80% van de markt bezit)
2. Veel vragers
3. Homogeen product
( Gemeente, waterbedrijven)
Oligopolie
1. Weinig aanbieders ( Als meerdere aanbieders tenminste 80% van de markt bezitten)
2. Veel vragers
3. Heterogeen of homogeen product
(Homogeen= Benzine stations, Heterogeen= Smartphones)
Monopolistische concurrentie
1.Veel aanbieders
2. Veel vragers
3. Heterogeen product
(Restaurants= Element van monopolie: alleen in dat restaurant is het eten en bediening zo goed.
Element van concurrentie: word de Griek te duur dan gaan we naar de Chinees)