A. Alle reacties van ouder naar het kind.
B. Alle omgang tussen ouder en kind, gericht op de ouder.
C. Alle omgang tussen ouder en kind, dokter en buren.
D. Alle omgang tussen ouder en kind, gericht op het kind.
2. Anti-pedagogen willen een opvoedingsvrije ouder-kind relatie. Wat betekent dat:
A. Dat er intentioneel geleerd wordt in plaats van functioneel.
B. Dat er vooral sprake is van een mede-menselijke relatie.
C. Dat kinderen hun eigen aparte plaats mogen innemen in de opvoeding.
D. Dat er een duidelijk opvoedingsdoel aanwezig is.
3. Pedagogiek onderscheidt zich van de psychologie door:
A. Een meer therapeutische benadering van de mens.
B. Een meer filosofische benadering van de mens.
C. Een meer alledaagse benadering van de mens.
D. Een meer wezenlijke benadering van de mens.
4. Kinderen moeten los van maatschappelijke invloeden opgroeien en vergt een persoonlijke
benadering van de pedagoog. Waar past deze uitspraak het beste bij:
A. Empirische-analytische stroming.
B. Verlichting.
C. Rationalisme.
D. Personalistische stroming.
5. De vier basisdimensies van opvoeden zijn:
A. Respect, ondersteuning, veiligheid en controle.
B. Respect, instructie, veiligheid en grenzen stellen.
C. Instructie, grenzen stellen, ondersteuning en controle.
D. Instructie, veiligheid, ondersteuning en grenzen stellen.
6. Jip gaat normaal om 20 uur naar bed. Die avond is er een leuke film op tv die tot 21 uur
duurt en Jip vraagt zijn ouders of hij de film af mag kijken. Zijn ouders vragen hem hoe hij zal
reageren als hij de volgende dag wel gewoon weer op 20 uur naar bed moet. Jip zegt dat te
zullen accepteren en dus spreken ze af dat hij die avond de film af mag kijken. Van welke
opvoedstijl hebben de ouders van Jip gebruik gemaakt?
A. De autoritaire stijl.
B. De nalatende stijl.
C. De autoritatieve stijl.
D. De toegevende stijl.