Hoorcollege Privaatrecht Week 2
Een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring
heeft geopenbaard. Noodzakelijk is de bekwaamheid om rechtshandeling te verrichten.
Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van rechtshandeling, voor zover de
wet niet anders bepaalt (3:32). Bijv. minderjarigen (1:234) -> onder 18 jaar, behalve als je
getrouwd bent of bent geweest, degene die het ouderlijk gezag heeft moet op je letten, als
minderjarige mag je rechtshandelingen verrichten als je toestemming hebt; onder curatele-
gestelden.
De totstandkoming van een rechtshandeling
- Eis (3:33 BW) = wil en verklaring moeten overeenstemmen
- Overeenstemming ontbreekt in gevallen van oneigenlijke dwaling -> geen sprake van
rechtshandeling
- Vb. Misverstand: HR Bunde/Erckens (NJ 1977, 241): belastingschade -> werd door
beide personen anders uitgelegd, was geen geldige rechtshandeling tot stand
gekomen.
o Is hier een overeenkomst tot stand gekomen?
Uitzondering= beroep op gerechtvaardigd vertrouwen van wederpartij honoreren.
- I.v.m. normaal, goedlopend rechtsverkeer
- Is afhankelijk van de omstandigheden van het geval -> altijd een goed antwoord, niet
op het tentamen.
Is beroep op vertrouwen in strijd met redelijkheid en billijkheid?
- Onderzoeksplicht? -> reikwijdte daarvan?
- Alle omstandigheden (opnieuw), onder andere belang en normaliteit van het geval
- Gaat om risicoverdeling
- HR Eelman/Hin (NJ 1960, 231)
o Kan Eelman van de koopovereenkomst af komen of dient Hin te worden
beschermd?
Arrest Westhoff/Spronsen (NJ 1987, 267): over de toepassing van artikelen 3:33 t/m 3:35
BW en de correctie daarop via redelijkheid en billijkheid.
De verhouding tussen 3:32, 3:33, 3:34 en 3:35 BW
- Art. 3:32 is een preliminaire stap: geen bekwaamheid, geen rechtshandeling
o Mogelijke correctie van art. 3:35 geldt hier niet
- Art. 3:33 is hoofdregel voor geldige rechtshandeling (wil=verklaring)
o Correctie (toch geldige rechtshandeling) mogelijk als wil ongelijk aan
verklaring, via art. 3:35 (gerechtvaardigd vertrouwen)
o 3:33 en 3:35 tezamen = wilsvertrouwensleer
- Art. 3:34 is bijzonder geval van wil ongelijk aan verklaring
o Geestelijke stoornis waardoor wil ongelijk aan verklaring
Een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring
heeft geopenbaard. Noodzakelijk is de bekwaamheid om rechtshandeling te verrichten.
Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van rechtshandeling, voor zover de
wet niet anders bepaalt (3:32). Bijv. minderjarigen (1:234) -> onder 18 jaar, behalve als je
getrouwd bent of bent geweest, degene die het ouderlijk gezag heeft moet op je letten, als
minderjarige mag je rechtshandelingen verrichten als je toestemming hebt; onder curatele-
gestelden.
De totstandkoming van een rechtshandeling
- Eis (3:33 BW) = wil en verklaring moeten overeenstemmen
- Overeenstemming ontbreekt in gevallen van oneigenlijke dwaling -> geen sprake van
rechtshandeling
- Vb. Misverstand: HR Bunde/Erckens (NJ 1977, 241): belastingschade -> werd door
beide personen anders uitgelegd, was geen geldige rechtshandeling tot stand
gekomen.
o Is hier een overeenkomst tot stand gekomen?
Uitzondering= beroep op gerechtvaardigd vertrouwen van wederpartij honoreren.
- I.v.m. normaal, goedlopend rechtsverkeer
- Is afhankelijk van de omstandigheden van het geval -> altijd een goed antwoord, niet
op het tentamen.
Is beroep op vertrouwen in strijd met redelijkheid en billijkheid?
- Onderzoeksplicht? -> reikwijdte daarvan?
- Alle omstandigheden (opnieuw), onder andere belang en normaliteit van het geval
- Gaat om risicoverdeling
- HR Eelman/Hin (NJ 1960, 231)
o Kan Eelman van de koopovereenkomst af komen of dient Hin te worden
beschermd?
Arrest Westhoff/Spronsen (NJ 1987, 267): over de toepassing van artikelen 3:33 t/m 3:35
BW en de correctie daarop via redelijkheid en billijkheid.
De verhouding tussen 3:32, 3:33, 3:34 en 3:35 BW
- Art. 3:32 is een preliminaire stap: geen bekwaamheid, geen rechtshandeling
o Mogelijke correctie van art. 3:35 geldt hier niet
- Art. 3:33 is hoofdregel voor geldige rechtshandeling (wil=verklaring)
o Correctie (toch geldige rechtshandeling) mogelijk als wil ongelijk aan
verklaring, via art. 3:35 (gerechtvaardigd vertrouwen)
o 3:33 en 3:35 tezamen = wilsvertrouwensleer
- Art. 3:34 is bijzonder geval van wil ongelijk aan verklaring
o Geestelijke stoornis waardoor wil ongelijk aan verklaring